Ver weg in 20 uur

Het is een grijze vrijdagavond. Terwijl ik met mijn drascombe Nemo tussen Pampus en Muiden dobber staat er maar een zuchtje wind. Ik pak mijn mobieltje en bel Alice. 'Vannacht ben je zeemansvrouw, want ik blijf ergens achter m'n anker pitten. Ja ik heb het heel lekker en genoeg eten en drinken heb ik ook aan boord. Ik heb de koelkast op kantoor geplunderd voordat ik vertrok. Tot morgen lief..'

De schemering duurt lang op deze grijze septemberavond, maar rond negen uur is het donker en goed ook. De maan is nog niet zichtbaar. Dan realiseer ik me dat ik geen vers water aanboord heb. Tandenpoetsen met een biertje lokt me toch minder. De haven van Muiderzand is dichtbij, dus daar ga ik dan maar even langs om een jerrycannetje thee-, tandenpoets- en afwaswater te halen. Het is bladstil als ik langzaam door de enorme haven tuf, waar ook uitsluitend enorme schepen blijken te liggen. Toch is het spookachtig leeg. Menselijke aanwezigheid is nergens te bespeuren. Op al die grote boten blijkt niemand aan boord te zijn. Op mijn kleine Nemo krijg ik er een onwezenlijk gevoel van.

Drie kwartier later lig ik achter het anker in water dat maar een halve meter diep is, in de beschutting van de dijk tussen Muiderberg en Muiden. Boven mijn hoofd welft een onverwachtte sterrenhemel. Het wordt kil en ik trek me terug in de kleine kajuit. Bij het gele schijnsel van de olielamp luister ik innig tevreden naar het nieuws en het weerbericht van twaalf uur, terwijl ik kleine slokjes van een Beerenburgje neem voor het slapen gaan. Zachtjes schommel ik in mijn overmaatse wieg in slaap.

Om halfzeven ben ik weer wakker. De zon is nog niet op en boven het water hangen flarden ochtendnevel. De boot is kletsnat van de dauw en ik haal een spons over het dek en de kajuit. Terwijl ik mijn eerste kop thee opslurp vliegen er drie zwanen laag over met dat kenmerkende kreunende geluid. Als ik ankerop ga staat er nauwelijks wind, maar het is voldoende om mijn zeilen net gevuld te houden. Ik boom het grootzeil uit en met een sukkelgangetje koers ik richting Muiden. Het zwaard en het roer blijven omhoog. Het water is zo ondiep dat ik de bodem onder de boot doorzie schuiven. Sturen doe je in zo'n geval met de wrikriem over de spiegel. Langzaam komt de zon op en wint aan kracht. Geluidloos glijdt de Nemo voort vlak langs de dijk die dicht begroeid is met bomen en struiken. Ten oosten van de haven van Muiden is een strandje waarop ik de boot vastvaar. Nadat ik het anker heb uitgebracht waad ik door het kniediepe water naar de wal. Achter de dijk blijkt een onverhard voetpad te liggen dat oostelijk om Muiden heen loopt en een prachtig zicht geeft op het slot en de vestingwerken.

Na een kwartiertje loop ik het vestingstadje binnen en op het moment dat ik de oude kerk sta te bewonderen en me afvraag hoe oud die werkelijk is komt er een mevrouw naar buiten. Zij blijkt kosteres, maar kan mijn vraag naar de ouderdom van het gebouw niet beantwoorden. Ze heeft wel even tijd en stelt voor om het samen binnen in een brochure op te zoeken. Wat een mazzel, nu kan ik meteen de binnenkant ook bekijken en mijn liefde voor de romaanse bouwkunst weer eens botvieren. De kerk blijkt ouder dan het huidige Muiderslot. De oude fresco's, de kleine boogramen waar prachtig licht door naar binnen valt geven me een historisch besef dat sterker is dan het beste geschiedenisboek. Muiden was altijd al een haven en in de Hanzetijd heel belangrijk door de strategische ligging aan de monding van de Vecht. Amsterdam was in die tijd nog maar een vlekje op de kaart. Transport over water speelde toen een doorslaggevende rol in het bestaan, vandaar waarschijnlijk dat de fresco van Sint Christoffel, schutspatroon van de veerschippers, zo'n promi- nente plek heeft in het koor van de kerk.

Als ik later met een zak verse broodjes en een krant langs de sluis loop op de terugweg naar de boot ontmoet ik Rooie Gerrit de bekende charterschipper uit Muiden. Tegenwoordig heeft hij een kleine tjalk.'Het is de Jacobsschelp, een kermisskûts uit 1898', vertelt hij trots. 'De eerste eigenaar heeft hem laten bouwen om met een zweefmolen en schommelschuitjes langs kennissen te trekken. Ik heb de originele koopakte nog aan boord.' Gerrit is ondertussen niet de jongste meer, maar als hij enthousiast over schepen begint te vertellen dan gloeit er een jongensachtig vuur in hem op. Jammergenoeg komt er net een groep chartergasten aan boord die zijn aandacht opeisen. Met een:'We kletsen later nog wel eens verder', nemen we afscheid van elkaar.

Terug aan boord zet ik verse koffie en bekijk op mijn gemak alle schepen die op deze zonnige zaterdagochtend Muiden uitvaren. Na een half uur besluit ik zelf ook te vertrekken. De zuidoosten wind is toegenomen tot zo'n kracht drie Beaufort en het belooft een smooth run naar huis te worden. Even later staat de stuurautomaat aan, zijn de zeilen getrimd en installeer ik me tegen de kajuit in de zon. De Nemo heeft er zin in. Met deze ruime koers komt hij bijna in planee en het water schuimt aan lij langs. In minder dan een uur zijn we terug bij de vertrouwde IJtoren. Ik heb het gevoel dat ik lang en ver ben weggeweest.

Ton Wegman