Hemelvaart Waddentocht 1993

Het is begin maart 1993 als ik achter m’n vaders zwaar overbelaste Peugeot 205 diesel Coaster Yraida vanuit Brabant naar Huizen sleur. De keldering van het Engelse pond heeft haar duizenden guldens goedkoper gemaakt en binnen mijn bereik gebracht. Dan begint het ware varen, voor het eerst als schipper van m’n eigen schuit. Natuurlijk zonder motor de haven uit, trots laverend maar zonder veel ervaring met die killer druil. Dat resulteert nog voor de havenmond verlaten is in een midscheepse aanvaring met de veerboot. Dat moet beter kunnen. Die eerste nacht (midden maart) wordt doorgebracht voor Muiderberg aan de steiger van recreatie eiland Hooft waar de wind ‘s nachts draait en we op lagerwal, verkleumd, geen oog dicht doen. De stemming is suboptimaal, dit moet zeker beter kunnen. Volgende zaterdag maar eens in oostelijke richting...

Zwaar onweer met windstoten en hoosbuien kluisteren ons die nacht op het Gooimeer onvrijwillig aan een steiger op eiland Huizerhoef, vriendin in canvas zeilzak, ik in zeildoeken dektent gewikkeld met één pak Bastoges en twee blikjes cola als diner èn ontbijt. We zouden toch slechts een middagje weggaan? Dit moet nog beter kunnen. Vriendin blijft thuis, maar met broer (zeker vergeleken met mij een ervaren Drascombe en Waddenzeiler) schrijf ik Yraida in voor de Hemelvaart tocht die, zoals dan gebruikelijk, altijd vanuit Den Oever vertrekt.

Den Oever, klik voor vergroting Eindelijk, mei 1993, de ervaring is al weer een dikke maand gegroeid, dat zout trekt echt enorm. Achter de 205 naar het noorden, de helling blijkt glibberig, het linker wiel zakt in een mui en de boot wil niet van de scheef gezakte trailer rollen. Met enig beheerst geweld lukt het ook (je blijkt eerst de steunen los te moeten draaien). Roeiend naar de sluis, maar daar staat stroom en zijn bellenbanen die Yraida onbestuurbaar maken, motor aan. Als de sluisdeuren achter ons sluiten gieren de zenuwen door onze kelen, het is prachtig weer, maar alles zweet, ruikt, proeft en voelt naar dat felbegeerde zout. Snel het zeil er bij, niet te veel, eerst maar eens met fok en druil, je weet maar nooit zo op zee. Om het hoekje van de Buitenhaven ligt een Drifter voor anker, daar kunnen we makkelijk voor langs, niet dus, er wordt gespuid en we spoelen zonder kracht tegen hem aan. "Sorry". Daar ligt naast de Leidam Pride Of The Fleet met aan boord the admiral te wachten, nu gaat het echt beginnen! Er worden wat onverstaanbare instrukties gebruld vanaf Pride’s achterdek, het klinkt als ‘Te Kerke’ o.i.d. Wel zijn er zeekaarten aan boord, maar toch hebben we geen flauw idee wat er gebeurt. Ondanks amper wind gaan we langzaam vooruit, op een van de achterste schepen wordt kennelijk een verroeste harpsluiting doorgezaagd. Het loopt tegen het eind van de middag als over stuurboord een eiland opduikt en Pride tegen een strandje wordt gezet, later blijkt dat een onderlopende plaat te zijn. Er wordt in het rap rijzende water met opgestroopte broekspijpen wat rond gekuierd en gebuurt. Anker op om bij een ‘WC baken’ (?) te overnachten. We kunnen het echt niet vinden op de kaart maar als tegen donker de zeilen op Pride naar beneden gaan volgen alle andere schepen haar voorbeeld, en leggen we ons te ruste. Wat klotst dat en waarom kraakt dat zwaard toch zo? We laten het maar zakken dan is dat geluid tenminste weg. Wel ontzettend spannend met die dansende lichtjes van de andere boten om ons heen voor het eerst ‘s nachts met je eigen schip op de Waddenzee ten anker.

De volgende morgen worden we wakker in een heel ander zeeschap. Het is een beetje koud en er lopen wat golven. Op een aanliggende Longboat gaat de opstapper even op de steven z’n tanden zitten poetsen als er plots een golf naar binnen wipt: Die is dus nat voor de rest van de dag. We kleden ons goed aan en volgen de leider die kennelijk de weg weet in een steeds witter wordend wad. We zijn op weg naar ‘Robben’ en na verloop van tijd draaien we een klein geultje in (de Slenk, toen met een Drascombe net te doen met hw). Dit moet het zijn, er liggen allemaal zeehonden, prachtig, er op af! Helemaal fout, de rear admiral - met natuurlijk overwicht - maakt duidelijk dat we daar juist niet moeten zijn. "Weg daar, zeehonden!" We begrijpen er niks van, maar gaan ten anker op een grote plaat, dè Groote Plaat, na later blijkt. Wat is dit machtig! De wind is best wel hard, maar zonder water voelen we ons in control en ontkurken een fles Rémi Martin waar niemand van mee wil drinken, vreemd. Dit blijkt echter niet het eindpunt van de tocht te zijn, nee, zodra er weer een beetje water is schijnt het de bedoeling om achterop de schuit staand met een riem over de spiegel richting een wierschuur te rossen. Grote wolken zand wervelen in ons zog terwijl de botjes en scharretjes een goed heenkomen zoeken. Uiteindelijk ontwaren we een schuur op Terschelling, daar wendt Pride haar steven en ankert. Wij zijn doodop van alle ervaringen en gaan te kooi, het schip moet die nacht zonder dat we het merken droog gevallen zijn.

Bijpraten op de Richel, klik voor vergroting Als we 's ochtens de slaap uit de ogen wrijven komt het water al weer opzetten, heeft de admiraal kennelijk al gepassagierd en afscheid genomen van de zich in die schuur volgens hem verpozende surfmeisjes. We begrijpen nu de naam: Niet alleen onze ankerketting, even later het hele voordek maar ook de ganse vlakte zit onder het wier. Er wordt uiteen gezet dat de bedoeling is om vanmiddag op een richel even bij te praten. Dat vinden we op de kaart en met hoog water zetten we Yraida als volleerde wadvaarders boven op de plaat. Het is heerlijk weer, beetje fris maar wel zonnig op de immens uitdijende zandvlakte waar ervaren Drascombevarenden aan Yraida’s boorden sterke verhalen komen uitwisselen. Gelukkig kunnen we de kaarten er bij halen om eens te zien wat Smis nu weer voor ons in petto heeft. Op naar een polder? Kroons Polder blijkt zijn favoriete plek onder Vlieland te zijn.

Helaas, we gaan dus weer verder, het is hier net zo mooi. Op de afgesproken tijd moet de hele drijvende vloot nog zeker een uur op ons wachten. Want... hoog water vast is ook pas weer met hoog water los. Op naar de afgesproken plek valt de wind bijna weg en valt de avond terwijl we over een spiegelglad wad maar langzaam vorderen. Van enthousiasme wordt over en weer geschreeuwd. "Jammer van die Waddenrust" blijkt later een terecht punt van kritiek te zijn. Als ook de eb ons geen voortgang meer geeft lopen we verspreid over de gronden vast en blijkt het water tijdens het tanden poetsen fluorescerend op te lichten.

Beuk, beuk (op de romp), plas, plas, klots (in het water). "Hup, uit die vlooienbunkers, jij daar, onder die klamme lappen, vertrek over tien minuten!" Duidelijkheid kan de in Pride van schip naar schip roeiende schipper niet ontzegd worden, er is ten slotte al weer water. Hij vertrekt gewoon en wij er achter aan, ook peilend met een stok, de kajuit is nog een slaap-chaos. Voor Den Oever wordt de vloot veilig afgeleverd, wij de sluis door, hij de Vissershaven in. Als we Yraida terug op de trailer proberen te krijgen heb ik haar roer keurig omhoog in de schacht gezet. Jammer, er steekt nog vijf cm roerblad onder haar buik uit, vandaar dat het al wat stroef gaat. Maar dat weet ik nog niet als, gewoon doorlierend, het trekoog met een knal uit de romp getrokken wordt en rakelings langs m’n hoofd katapulteert. Pffff. Met vereende krachten komt ze toch op de trailer, iedereen is behulpzaam, zelfs als de arme 205 het met rokende koppelingsplaten begeeft. Een Volvo er voor en hup, daar komt ze al.

Na hartelijk afscheid genomen te hebben van de nieuwe kennissen zijn we uiteindelijk weer veilig thuis gekomen. Dat haar tewaterlating in Huizen in een oogwenk plaatsvond mag haast een minor detail heten. Yraida dreef al, maar de trailer moest van de bodem van de haven getakeld worden: Die zat even niet goed geborgd op de trekhaak...

Ik heb al deze blunders (leer momenten?) nog nooit zo op een rijtje gelezen, maar ze waren kennelijk nodig en hebben één voor één bijgedragen en aan de enorme lol die je, ook als novice, kan beleven aan het schipperen met je Drascombe. Dat alles steeds goed afliep was meer te danken aan John Watkinson, de firma Honnor Marine, mijn beschermengel en (voornamelijk) de vergevende eigenschappen van Coaster Yraida dan aan des schippers zeemanschap. Maar, ergens moet je beginnen en zeker hier geldt ‘Al doende leert men’. Als ik nu, om de grenzen weer eens te verleggen, ‘s nachts op weg naar buiten het geultje naar het Vogelzwin probeer te vinden en met afgaand water op de Vlakte van Kerken grondt vlak vóór het VC baken, beeld ik me toch weer in dat dit me nooit meer zal gebeuren. Alles in de stille wetenschap dat ik het toch nooit leer maar er wel enorm veel plezier aan beleef. Hoe omschreef Frank Dye dat ook al weer, "Settling down in that cruising routine"?