Aangepast plankje voor druilmast

Klik voor vergroting Al vanaf het eerste seizoen in de Longboat kwam ik er achter dat het plankje waar de druil in staat en waar het roer doorheen gestoken wordt het best zwaar te verduren krijgt. Niet alleen dreig je het hout te versplinteren als je het roer er wat al te vlot in wilt hangen, er komt ook behoorlijk wat zijdelingse kracht op te staan tijdens het zeilen. De messing doorboutjes werkten zich onderdeks al snel los. In het zeldzame geval dat de druil onder uit haar mastvoet zou wippen kan de hele zaak moeiteloos overboord breken.

Als winterklus heb ik de zaak een keer verstevigd met een dwarshout van een stukje iroko dat strak in de bun past en slechts op zijn plaats gehouden wordt met de twee rvs doorbouten waar ik een borgoog mee heb bevestigd. Het plankje kan nergens meer naar toe en het oog dient om de druilmast te borgen met een op maat gemaakte voorgerekte lijn en een snapsluiting, zodat ze zich niet meer omhoog kan werken tijdens het zeilen.

De sleuf waar het roerblad door heensteekt heb ik vervolgens uitgefreesd zodat ik er twee stukken messing hoeklijn van 20 x 20 in kon laten verzinken.

Het is natuurlijk allemaal weer geneuzel, maar het is best een verbetering en je hebt er weer een flesserekje bij. Kan nog net even gemaakt worden voor de boot weer te water gaat.

Bob Oosterbroek
Longboat Tototore



De Volautomatische Drascombe

Klik voor vergroting Noem het gemakzucht. Luiheid voor mijn part. Ik verwacht dat mijn Nemo me confortabel van A naar B brengt en verder. Tot Z en dan weer terug. Zonder inspanning. Inspanning is gevaarlijk. Vermoeidheid leidt tot ongelukken. Daar houden Nemo en ik niet van. Bovendien is luiheid een deugd. Niets moeten, genieten van la dolce vita is een gemoedstoestand die toch al moeilijk te bereiken is in deze op hol geslagen wereld.

Meestal vaar ik solo. Me and my Nemo. Lange tochten schuwen we dan niet. Varen op de motor ook niet (1). We willen immers van A naar B. Ik ben een echte watertoerist. (Prachtig woord trouwens. Er kleeft iets naïfs, jaren vijftigs aan.) Bovendien wil ik van alles kunnen doen onder het varen: koffie of thee zetten, fotograferen, schrijven, lekker om me heen kijken, mijmeren, muziekje luisteren, navigeren, met thuis bellen, uit- of aankleden al naar gelang het weer verandert, een broodje smeren, schiemannen, een boek lezen. Op groot water - denk aan IJsselmeer en Waddenzee - kan dat allemaal, als je met enige regelmaat oplet of je niet op ramkoers ligt met een boei of mede watergebruiker. In de seizoenen die ik met Nemo rond vaar heb ik wat hulpmiddeltjes aangeschaft en ontwikkeld die het dolce far niente varen mogelijk maken.

Stuurautomaat

Mijn derde handje. Een stuurtouwtje à la Smis heeft het bij mij nooit goed gedaan. Hans is natuurlijk de hogepriester van het solo-Drascomben. Hij staat in direct contact met hogere machten. Daarom lukt het bij hem wel. Ik heb me er mee verzoend dat die metafisische factoren door het ontbreken van de absolute staat van genade voor mij niet zijn weggelegd. Nemo en ik hebben niet de goede chemie, waardoor hij niet aan de lijn wil blijven lopen. Wanneer ik me niet verroer dan vaart de boot op vlak water nog redelijk rechtdoor, maar zo gauw als ik mijn grote grove lichaam door de boot verplaats gaat het mis. De vertrimming van het onderwaterschip is dan dermate drastisch dat ik onmiddelijk de hand aan het helmhout moet slaan. Anders gaat Nemo met mij aan de haal. Het is ook logisch dat een bootje van 500 kilo door een verplaatsing van meer dan 20% van dat gewicht gaat overreageren. Er zijn echter meer factoren die de koersstabiliteit van Nemo ongunstig beïnvloeden. De golfslag op IJsselmeer en Wad is vaak al fataal voor de koersstabiliteit van een boot met zo weinig waterverplaatsing en zo’n klein lateraal oppervlak. Ook erg vlagerig weer heeft groot verstorend effect. De boot moet in een vlaag kunnen oploeven, maar komt daar vervolgens niet meer uit en gaat op eigen houtje overstag. Niet leuk als je net met een ketel kokend water in je handen zit. Bovendien werkt het stuurtouwtje niet op ruimwindse koersen. Bij weinig wind wordt het zelfsturen tricky en op de motor moet je ook geen grote verwachtingen hebben. Al met al heb ik besloten om mij tot de helmstokstuurautomaat te bekeren. De aller kleinste en goedkoopste versie voldoet uitstekend. Het kost je een paar honderd euro, maar dan heb je ook wat. Cruise controle de Luxe! Ik ben zo vrij als een vogeltje en kan zelfs op het voordekje plaats nemen als ik dat zou willen. De boot blijft ondertussen de ingestelde kompaskeors varen. Het electronische kompasje dat dit allemaal mogelijk maakt is verbluffend accuraat. Correcties zijn per graad of per tien graden door een druk op een van de vier knopjes in te stellen. Bakboord of stuurboord naar keuze. Inmiddels vertrouw ik mijn derde handje zo dat hij zelfs op de binnenwateren regelmatig de wacht over neemt. De schipper rommelt dan wat met stootwillen en landvasten, want dat weigert hij nog steeds te doen. In geval van nood druk je op de standby-knop en til je met één handbeweging de automaat los van de helmstok. Vervolgens neem je het heft weer zelf in handen. Simple comme bonjour. Met het oog op de naderende feestdagen, voor diegenen die nooit weten wat ze vragen moeten, misschien een tip. Vraag een automaatje aan je maatje en verdubbel je vaarplezier het volgend seizoen.

Accu

Het energieverbruik van mijn stuurautomaatje is wonderlijk laag. Geen geslurp aan de accu, maar minstens een week varen zonder te mopperen op een volle batterij. En lange dagen ook, het maakt allemaal niet uit. In de standby gebruikt hij een verwaarloosbaar aantal miliampères per uur. Onder zeil voelt hij zich prettig als de zeilen netjes getrimd zijn. Dat scheelt in zijn verbruik, want hoe minder hij zijn dunne armpje hoeft te gebruiken hoe zuiniger hij wordt. Om hem te voeden heb ik sinds kort een lekvrije deep-cycle accu. Een rib uit mijn lijf, maar deze overleeft moeiteloos mijn achteloosheid die zijn voorganger op jonge leeftijd liet sneuvelen. Het wonderdoosje werd voor militaire toepassingen ontwikkeld. Dat betekent dat hij tientallen keren diep ontladen overleeft zonder krimp te geven. Het schijnt dat hij ook bij extreem lage temperaturen zijn spanning nog vasthoudt, maar ik ben niet zo’n winterzeiler. Nemo is geen ijsbreker, dus hierover kan ik niet uit ervaring getuigen. Een bijkomend voordeel van dit accuutje is dat hij plat op zijn zij onder de voorkooien past. Daar ligt hij tevreden vastgesjord op de meest gunstige plek voor de gewichtsverdeling aan boord. Lek vrij en zonder protest. Het nadeel van het verblijf in dit hol diep in het vooronder is dat het nogal wat zweetdruppels kost om de accu uit te bouwen en van boord te halen. Maar geruststellend is dan de gedachte dat als ik er geen zin in heb om hem thuis op te laden, ik hem niet meteen om zeep help door hem nog een tijdje te laten liggen als hij leeg is.

Meer tips voor luiaards

Horizontaal droogvallen is heerlijk. Een Drascombe valt echter niet rechtop droog, maar helt zo’n graad of vijftien. Onrustige slapers hebben als gevolg van hun gedraai de boot soms midden in de nacht over een andere boeg gekregen. Ook tijdens koken en eten is het vervelend als de soep uit de pan klotst doordat de boot kiept, omdat er iemand aan de hoge kant onverwacht wat te veel gewicht in de schaal legt. De oplossing voor dit euvel is simpel. Neem twee grote stootwillen en bevestig ze met landvasten onder het achterschip van de boot, zolang deze nog drijft. Als ze op de goede plek zitten trek je de landvasten strak en laat ze door de verhaalkammen voor en achter lopen alvorens ze vast te zetten. Weltrusten.

Hoosvat/urimaat

De veiligste en meest discrete manier om je van een plasje te ontdoen is om het hoosvat te gebruiken. Mijn aftapventiel past er moeiteloos in en zelfs op een drukke ankerplaats is het legen van de volle blaas een eitje. ‘Papa, waarom staat die meneer met dat blauwe bakje voor zich?’ Ook onder het varen een prima oplossing voor een netelig probleem. Leeggieten, spoelen, klaar. Sorry dames. Maar voor jullie is er natuurlijk de Puts Grand Comfort. Sans Gène.

Ton Wegman

*1

Zie: De ideale motorboot hieronder


De ideale motorboot

Het lijkt een taboe. Het gebruik van een motor op een Drascombe schijnt not done. Toch leent het bootje zich prima om met een luttel aantal paardenkrachten in de bun mooie tochten te maken. Ronkend proza over een stiefkind aan boord.

Wel even een waarschuwing vooraf. Drascombe-vaarders met een lage tolerantiedrempel wat betreft motorgebruik moeten dit stukje NIET lezen. U bent dus gewaarschuwd, want de mogelijkheid bestaat dat ik met mijn volle 105 kilo op uw gevoelige tenen ga staan. Dan meteen ook maar een hardnekkig misverstand uit de weg ruimen: het roeien van een Drascombe Coaster is niet gezond voor lijf en leden. In de eerste plaats staat er op het brugdek een ballenkraker in de vorm van een lier. Één maal heb ik toch voorzichtig geprobeerd om mijn boot tegen een matige bries in te roeien. Dit leidde vooral tot overmatige zweetproductie (de boot kwam ondertussen nauwelijks vooruit) waarna de wind mijn natte rug in een koude greep nam. De pijnlijke gevolgen waren meer dan een week later nog niet verdwenen.

Wil ik toch zonder de motor te gebruiken korte stukken vooruitkomen, meestal in een haven, dan behelp ik me met de wrikriem die me met een sukkelgangetje voortbeweegt. Als ik sportief wil zijn, dan ga ik zestig baantjes zwemmen. Dan kom ik bovendien fris thuis. Roeien met een Drascombe is volgens mij geen bodybuilding, maar imagebuilding. Er doet een mythe de ronde over een man die met een Drascombe zeereizen maakte en bij windstilte roeiend de shippinglanes is overgestoken. Dit moet waarlijk een Herculische figuur zijn geweest, die daarbij nog over hardstalen zenuwen beschikte. Ik laat die twee riemen graag thuis, want ik sleep al genoeg spullen met me mee in de kuip. Die-hards mogen me bellen. Ze zijn te koop. Mooie essen riemen, slechts eenmaal gebruikt.

Klik voor vergroting
Moeder en dochter Daphne tijdens een tocht door Amsterdam. Het betrof hier een particuliere rondvaart die mijn moeder kreeg aangeboden als moederdaggeschenk. Motorbootplezier straalt van de gezichten af!

Drascombes zijn echter uitstekende motorboten. Ik gebruik mijn motor redelijk veel. De laatste tijd maakte ik nogal wat tochten op het binnenwater. De mast ligt plat, wat resulteert in een kruiphoogte van 1,40 m en ik kan de meeste bruggen moeiteloos passeren. Verbluffend grote afstanden zijn zo in korte tijd af te leggen. Tochten door Amsterdam zijn met familie en vrienden een groot succes. Ook de Vecht, het Gein, de Amstel, de Waver, de Zaan en de ringvaarten van de Noord Hollandse droogmakerijen zijn prachtige wateren waar je zonder motor niet of nauwelijks komt. Maar ook op het Wad en op het IJsselmeer hijs ik met regelmaat het ijzeren grootzeil. Gebrek aan wind, overmaat aan wind (meestal precies uit de richting waar ik heen wil) of een spurtje trekken om het tij nog naar mijn hand te kunnen zetten op het Wad, allemaal omstandigheden waarin een rechtgeaard toervaarder de koffiemolen met liefde gebruikt.

De vorm van een Drascombe met de scherp weggesneden lijnen in het voorschip en een relatief breed en vlak achterschip resulteert in een rompvorm die thuishoort in de categorie halfglijders. Dat wil zeggen dat bij voldoende voortstuwend vermogen de boot enigszins uit het water komt en dan snelheden kan halen die boven de theoretische rompsnelheid liggen. Ik vaar met een 6 pk Mercury ( 4takt ) en heb op een windstille dag met behulp van mijn GPS een paar testjes uitgevoerd. Met halfgas haalde ik een snelheid van 5,1 knopen en met volgas een snelheid van 6,5 knopen. Ik was alleen aan boord. De mast stond overeind en ving dus meer (schijnbare)wind dan wanneer hij plat had gelegen. (Mast en rolfok zorgen voor windweerstand.) Opvallend bij die snelheden is de gevoeligheid van de boot voor verandering in de trim. Gewichtsverplaatsing zorgt al snel voor een vervorming van het ondergedompelde deel van de romp. Hoe meer de bemanning zich naar de rand van de boot verplaatst, hoe asymmetrischer het onderwaterschip door de helling wordt. Bij een gewichtsverplaatsing naar stuurboord heeft de boot vervolgens de neiging om een flauwe bocht naar bakboord te maken. Gewichtsverplaatsing naar bakboord heeft uiteraard het omgekeerde effect. Het is leuk om een keer te proberen. Je zult zien dat je de boot zo wandelend van de ene naar de andere kant kunt sturen. Uiteraard zijn scherpe bochten niet mogelijk, maar wellicht dat iemand het wil proberen door in een trapeze te gaan hangen. Wil je echter zonder veel tegenroer te moeten geven rechtuit varen dan is het dus zaak om het gewicht zoveel mogelijk midscheeps te houden.

Tijdens het motoren op ruim water voer ik toch altijd de druil.Dat zeiltje kan als slingerdemping gebruikt worden, zeker bij halfwindse koersen op een knobbelig IJsselmeer. Een bijkomend plezierig effect van de bezaan is dat ik beter gezien wordt. Op groot water is het profiel van een kale Drascombe een armetierig geval en kan dus makkelijk over het hoofd gezien worden. Omdat ik, net als ieder ander, ook niet altijd 100% geconcentreerd op aanvaringskoersen let, is het beter om in een boot rond te varen die gezien kan worden. Bij haven- en sluisaanloop is het natuurlijk verstandig om de druil te bergen en de papagaaistok binnen te halen, als je het spul heel wil houden.

Klik voor vergroting
Een tocht eind oktober naar Vinkeveen. Vanuit Durgerdam nog geen vier uur varen. Deze foto maakte ik op het riviertje de Winkel. Het was er stil, heel stil. Voorjaar 2003 een verslag van een heel andere rivier in de Waterkampioen: een tocht op de Loire van Saumur naar Nantes.

De koersstabiliteit wordt aanzienlijk verbeterd door het midzwaard tenminste half te laten zakken. Bij havenmanoeuvres is een geheel gestreken zwaard aan te bevelen. Zeker wanneer je met de motor stuurt, is het dan mogelijk om op de plaats rondjes om je as te draaien. De Drascombe is een veilige motorboot, die niet terugschrikt voor een steile golf meer of minder. Met een langstaartmotor is het risico dat de schroef boven water komt bijna nul. Mij is het in elk geval nog nooit overkomen. Bij zeilboten die een motor aan de spiegel hebben hangen heb ik dat wel anders meegemaakt.

In het algemeen is het natuurlijk zo dat het varen op groot water veiliger is met een motor achter de hand. Denk alleen maar eens aan de mogelijke averij aan de tuigage bij een aanwakkerende wind. Prettig als je dan een goed heenkomen kunt zoeken op de motor. Ik zeil veel op het IJsselmeer en voel me er prima bij dat ik een hulpje ‘voor het geval dat’ heb. Hij hangt dus niet alleen voor de fun in de bun.

Sinds twee seizoenen ben ik in het rijke bezit van een viertakt motor en dat levert me een groot aantal voordelen op ten opzichte van een tweetakt. Geen circusacts meer met maatbekertjes olie die op een slingerende boot aan de benzine moet worden toegevoegd, nauwelijks nog stank en het geluid is een stuk minder. Daarenboven is dit motortje zeker 30% zuiniger dan zijn dorstige tweetakt broertje.

Al met al ben ik erg in mijn nopjes met mijn Drascombe motorboot, maar wat hem helemaal ideaal maakt, is dat hij ook zo lekker zeilt.

Ton Wegman


Ode aan de druil

Het woord druil roept negatieve associaties op.
Druiloor en druilerig weer zijn geen erg vrolijke begrippen,
maar ik verklaar de liefde aan de druil.

Achter op mijn Coaster Nemo staat een mini-mastje met een lilliput-zeiltje van twee vierkante meter. Dat doet dus niks denken sommigen. Het tegendeel is echter waar. Ik vaar nu al een paar seizoenen met mijn druiltje (Drascombebargoens voor bezaan) rond en wil het zeiltje nooit meer kwijt. Hoezo? Het antwoord is niet zo simpel, omdat mijn druiltje zo'n veelzijdig lapje is. Er zijn verschillende momenten tijdens het zeilen dat ik John Watkinson, de uitvinder van het Drascombe concept, in stilte gedenk in mijn gebeden. Vooral als ik solo zeil zijn er regelmatig situaties dat ik met drie armen op twee plaatsen tegelijk aan boord wil zijn en dan is mijn druiltje de redder in de nood.
Iedere zeiler weet dat je een boot van achteren naar voren moet optuigen. Op een sloepgetuigde boot zet je eerst het grootzeil en dan pas de fok. Op mijn tweemastertje begin ik met de bezaan, waardoor de Nemo de kop meteen in de wind draait. Vervolgens zet ik op mijn gemak het grootzeil, zonder de schoot aan te halen en daarna doe ik hetzelfde met de fok. Door dat alleen de bezaan druk in het zeil houdt blijft de boot keurig in de wind liggen. Ik noem dat verschijnsel het windwijzer/wipeffect. Het zeilpunt en het lateraalpunt liggen heel ver uit elkaar. Het lateraalpunt is het draaipunt van tegengestelde krachten die balans en evenwicht zoeken. De wind en de golven oefenen een kracht uit op de boot en het strak aangehaalde bezaantje zorgt voor het evenwicht. Als ik klaar ben met het optuigen van mijn boot gebruik ik de fok altijd om de boot over de gewenste boeg te krijgen, zo nodig hou ik de fok even bak, maar dan is het gaan met de bezaan. Het windwijzer/wipeffect gebruik ik ook om de boot bij te laten liggen. Een manoeuvre die je nog maar zelden uitgevoerd ziet worden, maar die uitstekend werkt om boot en bemanning even rust te geven voor een pas op de plaats. Bijliggen gaat met de Nemo als volgt: Eerst de druil strak doorzetten, grootzeilschoot los, en fok bak, de helmstok vervolgens aan lij vast zetten en het grootzeil inrollen indien je wat langer wil bijliggen. Het eist wat experimenteren en bij harde wind is de drift natuurlijk fors, maar het is verbazingwekkend hoe rustig mijn bootje bijligt ook op het knobbelige IJsselmeer, wanneer ik voor een plas of glas even mijn handen vrij wil hebben. Ook voor het wachten op beroepsvaart die voorrang heeft en voor het maken van foto's is het een oplossing.

Als de wind flink aantrekt, (5 Bft. en meer) dan wordt ik steeds gelukkiger met mijn druiltje. Het grootzeil krijgt zijn congé en alleen onder fok en bezaan staat Nemo zijn mannetje. Tot en met 6 Bft. heb ik veilig gevaren met deze zeilvoering. Dat komt doordat het zeilpunt erg laag ligt en er maar een paar vierkante meter zeil het werk doen. Bovendien is de trim uitstekend. Alleen op ruime koersen bij harde wind gaat de bezaan eraf. Dan wordt die kleine rakker zo enthousiast dat hij probeert om bij elk golfje de kont van de boot een zwieper mee te geven, met als gevolg dat de boot regelmatig uit het roer loopt. Een nadeel van het voordeel om Cruijff vrij te citeren; dat geldt ook voor mijn gewaardeerde druil. Bij een pittige, ruime wind doet alleen de fok het werk en loopt de boot soms nog acht knopen. (Nemo is en blijft een jol en jollen hebben als karakteristiek dat ze bij voldoende voortstuwend vermogen gaan planeren.) Het is een prettige sensatie om met mijn bootje van net zes en een halve meter grote boten voorbij te lopen.


Ook op een ankerplek verdient mijn druil alle lof. Een sloepgetuigde boot heeft vaak de neiging om zelfs op de kale mast te gaan zeilen en gaat dan liggen gieren achter het anker. Dit gebeurt vooral bij vlagerig weer. Met mijn bezaantje gezet heb ik daar nooit last van en lig ik op de mooiste plekjes - soms in water van een halve meter diepte met het zwaard en roer omhoog - rustig te genieten.

Bij havenmanoeuvres onder zeil bewijst de druil ook zijn diensten. (Als het even kan laat ik mijn buitenboordmotor met rust en bovendien vindt ik het wel stoer om in de haven te zeilen, en veel schade kan ik toch niet aanrichten met mijn lichte bootje.) Je kan er verbluffend korte draaien mee maken, maar pas op dat je niet te veel snelheid hebt. Het grootzeil heb ik om die reden dan meestal gestreken. Het roer heb ik met een dik elastiek vastgezet, zodat ik met mijn been nog koerscorrecties van tijdelijke aard kan uitvoeren, waarna de helmstok vanzelf weer in de middenstand komt. Spelend met de fokke- en bezaanschoot kom ik dan meestal wel op mijn plek en komt de nood echt aan de man dan ligt mijn trouwe wrikriem gebruiksklaar.

Ontwerpers van wereldfaam met een fixatie op snelheid adviseren hun klanten om af te zien van een tweemast tuigage beneden de twaalf meter scheepslengte. Vooral het geringe voortstuwend effect van de druil voeren ze aan om af te zien van een extra zeil achterop. Zo'n zeiltje geeft meer last dan gemak, redeneren de jachtarchitecten. Generaties Franse en Britse vissers die met kleine open boten hun werk op open zee moesten doen wisten wel beter. Ik inmiddels ook. De druil is een gemakszeiltje.

Ton Wegman


Bijliggen is een schone zaak en
schenkt den zeiler veel vermaak.
(vrij naar Multatuli)

U bent lekker aan het varen, alleen of met bemanning, windkracht 3-4, maar er dreigt een bui en de wind begint al behoorlijk door te zetten. U kunt nu verschillende maatregelen overwegen:
1) naar de haven terug varen.
2) motor aan en zeilen weg.
3) ankeren of ergens aanleggen en reven.
4) bijliggen en reven.
Hoe gaan we dat laatste nu doen? We gaan door de wind en, zodra de fok bak staat, geven we de grootschoot en de bezaanschoot (vrij) veel ruimte en zetten we het roer vast zodat ons schip zou willen loeven maar dat door de bakstaande fok niet kan. Onze Drascombe ligt dan zoals geschetst.

Heeft de boot enige vaart voorwaarts, dan wordt zij door de fok teruggedrukt en vaart achteruit tot de bezaan de wind pakt en de boot dus weer vooruit wil. De combinatie: fok bak/bezaan en grootzeil ruimschoots en roer te loevert, maakt dat we langzaam lijwaarts driften en een breed zog aan loef trekken; het verlijeren neemt toe naarmate we het zwaard ophalen. U ligt nu bij. Op mijn Lugger vaar ik vaak alleen en ik heb dan de dollen in hun potten staan; aan de helmstok (of joy stick) zit een lusje waarmee ik de roerstand loevend kan vastzetten.

Er zijn vele situaties te bedenken waarin we iets aan de boot of ons zelf willen doen en daarvoor naar voren moeten en in leder geval beide handen vrij moeten hebben. Ik noemde al reven, ook de hijs of de hals doorzetten, katten, anker tevoorschijn halen, trui of oliekleding aan- of uittrekken, fotograferen, de motor neerlaten en starten (en u weet hoeveel tijd dat soms kan kosten), u bedenkt maar wat. Kent u de kunst van bijliggen, dan zult u merken wat een gemak deze eenvoudige manoeuvre kan geven. Vaak heb ik gemerkt dat mijn opstapper(s) het bijliggen als gemak nog niet kennen.

Ellis Hertzberger