Harde wind op de Oosterschelde
door Reijer Bergsma

Het was een vroege vrijdagmorgen in de maand mei. De meeste mensen lagen waarschijnlijk nog in de koffer of zaten wakker te worden achter een bakkie koffie, maar ik had besloten om te gaan zeilen. De bromfiets stond zwaar bepakt met voorraden in de schuur en dan weerhoudt mij niets. Ik maakte mijzelf wijs dat er altijd nog zoiets als slechtweerkleding bestaat en dat zuidwesters een probaat middel zijn om het hoofd koel en de hals droog te houden. Maar al rijdend op mijn stalen ros begon ik mijzelf langzaam voor gek te verklaren, het was beestenweer. De wind blies met een goede kracht zeven uit het zuidwesten en regenbuien volgden elkaar snel op.

Bij de haven aangekomen bleek de enige bedrijvigheid die ik bespeurde te bestaan uit de kraan van de familie Van Belzen. Pa en zoon Rob liepen brommend rond en waren druk in de weer om een groot zeiljacht in haar element te brengen. ’Wat kom jij hier doen?’ was hun vraag. ‘Ik ga lekker een weekendje zeilen’, was mijn evenzo brommende antwoord. ‘Nou, véél plezier dan maar!’

De haven lag er stil en verlaten bij, de zuidwester gierde door de kale masten van de boten die rukkend aan hun trossen tussen de palen lagen. Buien die overtrokken hadden dekken en steigers nat en daardoor spiegelglad gemaakt. Vooral de steigers waren door de groene aanslag levensgevaarlijk geworden. Op de diverse ledenvergaderingen was er al vaak op aangedrongen dat ze eens een goede schoonmaakbeurt moesten hebben. Maar zoals gewoonlijk is er een groot verschil tussen praten en doen. Als ik zelf moest kiezen tussen zeilen en steigers soppen zou ik ook zeer zeker voor het eerste gekozen hebben.

De brommer kon ik gelukkig in de loods parkeren, dat is beter dan buiten in regen en wind. Bij de boot aangekomen was de eerste klus om de voorraden goed weg te stouwen en een vers bakkie koffie te zetten. Daarna begon het optuigen van de boot, het grootzeil meteen maar tweemaal reven, ook de druil kon wel een rifje gebruiken. Het grote voorzeil ging er af en werd vervangen door de stormfok die ik extra heb laten maken voor zulke klusjes. Het grote voorzeil staat in half opgerolde toestand niet zo best, vooral aan de wind zeilend.

De lijnen los en dan op de motor de geul uit, het uitzicht op het geheel verlaten meer was mooi, doch ook een beetje dreigend. De zuidwestenwind bracht witte koppen op de golven terwijl de nieuwe 8 pk motor rustig voor zich uit pruttelde. Hij had wel een macht geld gekost, maar liet me tenminste niet in de steek. En dat is ook wat waard.

Even onder de hogerwal kruipen om rustig de zeilen te kunnen hijsen. Dat doe ik altijd bijliggend. Wallie hield zich uitstekend, hij draaide zijn boeg op een hoek van veertig graden tegen de wind in en bleef zo, rustig verlijerend richting Badhotel, liggen. Allereerst de druil uitrollen. De papegaaistok had ik in de haven al bedrijfsgereed gemaakt. Wallie ging nog wat rustiger liggen. En dan de fok uitrollen. De bezeilde koers naar de sluis maakt het grootzeil overbodig. Hèt grote voordeel van een tweemaster.

Het meer was op een kleine vrachtvaarder na geheel verlaten. Alleen ‘echte’ zeelui gaan met zulk weer varen. Of niet natuurlijk. Ik denk eerder dat beroepszeelui ons hobbyisten voor gek verklaren als we met zulk weer uitvaren.

Het was droog met een scheel zonnetje en de wind begon nog iets meer door te staan. Allereerst maar eens koers zetten naar de Zandkreeksluis waar wel een beschut anker hoekje te vinden moest zijn. Vandaar kon er dan rustiger weer afgewacht worden om de Oosterschelde op te gaan. We liepen inmiddels onder dit kleine tuig een vierenhalve knoop, wat betekende dat er ruim zeven Beaufort uit zuidwest stond. Wallie had er totaal geen problemen mee, ik zat dik ingepakt en koffie lurkend te genieten van dit tripje.

Ik ken het Veerse Meer als mijn broekzak, maar het is steeds weer mooi om hier te zeilen. Alleen als het druk is, is het wel eens balen. Er zijn namelijk veel ‘varensgasten’ die geen flauw benul van voorrangsregels hebben waardoor het laveren soms moeilijkheden oplevert. Het is dan wijs een luchthoorn bereid te hebben. En dan bedoel ik natuurlijk niet zo’n mooi koperen antiek toetertje waar je op moet blazen, maar een volwassen toeter met een drukfles er aan. Moet je dan die verschrikte gezichten eens zien als je een loei op die hoorn geeft. Doe het natuurlijk wel ruim voor de aanvaring dreigt!

Maar nu waren we voorlopig nog alleen op het meer, de hoorn kon op z’n plaats blijven. Om ongeveer 11.00 uur kwamen we bij de sluis en gingen in het hoekje achter de dijk op een half metertje water voor anker, redelijk beschut tegen de wind. Dit is mijn favoriete plekje, met als dubbel voordeel van ondiep water dat de golven niet tot grote hoogte opgezweept kunnen worden.

Het tij was jammer genoeg niet zo gunstig, de vloed was net een uur oud. Ik kon natuurlijk de vloed op deze wind dood zeilen om de kreek uit te komen en dan koers zetten naar Tholen. Maar eerlijk gezegd vond ik de wind een beetje te geestdriftig. De Oosterschelde is met zo’n wind geen plaats om vrijwillig te verblijven. Nee, we liggen hier voorlopig goed. Eerst maar de middaghap verzorgen en dan... als baas op leeftijd moet je zo af en toe een tukkie doen.

Aldus gedaan, de middag verliep daardoor in alle rust. Er is niks zo slaapverwekkend als een kooi op een rustig voor zich heen kabbelende boot achter een stevig anker. De harde wind en regen maakte het nog eens extra gemoedelijk. Tegen vijf uur was het gedaan met de middagrust, de vloed was op z’n retour en de wind leek wat af te zwakken.

Ik was in tweestrijd. Wat te doen? Hier blijven liggen tot morgenvroeg en dan alsnog naar Tholen of nu door de sluis en tegen de eb in naar Tholen. Het plan om richting Zeelandbrug en verder te gaan leek me onverstandig. Ik bleef liever, als ik ging, onder de hoge wal van Zuid-Beveland. Dat gaf het voordeel van drie vluchthavens: Goessche Sas, Wemeldinge en Yerseke. En natuurlijk de haven van de Bergsediepsluis, plus achter de sluis, de jachthaven van Tholen. Of ankeren achter de dijk op het getij-vrije binnenmeer. Het nadeel was dat ik in die richting stroom tegen wind kreeg. Hoewel niet helemaal, de wind zou dwars in komen. Na een half uurtje tweestrijd en rijp beraad besloot ik te wachten tot morgenvroeg. De wind was me toch wat te veel.

Zaterdag, half bewolkt, af en toe een bui, en een nog pittige wind uit het zuidwesten die ik op een dikke zes Beaufort schatte. Na de eerste noodzakelijke bezigheden en het ontbijt waren we om acht uur reisklaar. Even worstelen om het anker boven water te krijgen dat na een nacht met veel wind wel eens stevig vast wil zitten. En dan op het fokje naar de sluis. De sluismeester, die van uit zijn hok een vrije blik over het eerste stuk meer heeft, zag me zeker aankomen want het licht sprong op groen en de deuren draaiden open. Dat is boffen! Tegen half negen lagen we in de totaal lege sluis (wat in de zomer wel eens anders is) en werden vlot geschut.

Nadat we weer de vrijheid hadden kon het fokje er voor en zeilden we de Zandkreek uit. Het waaide inmiddels weer dat het rookte. De druil had tot de hoek van de Zandkreek rust. Daar had ik hem op de halve wind weer nodig.

Het reddingvest en de lijflijn werden omgedaan, vast gegespt en daar gingen we. Toch wel een beetje kriebels in de buik, ik had er namelijk totaal geen zin in om nu al een houten jekker aangemeten te krijgen. Het was werkelijk rot weer. Eigenlijk gekkenwerk om richting Tholen te zeilen. Wel bezeild, maar we hadden de eb tegen. En dat is, zoals we weten, niks niet leuk. Nou ja, eerst maar eens naar de kardinaal koersen die het einde van de Zandkreek aangeeft. Dan zien we wel weer verder. Het was gelukkig droog geworden, er kwam zelfs een beetje zon achter de wolken te voorschijn. Wat wil je nog meer?

Na een goed half uurtje varen we dwars van de kardinaal en doken de Oosterschelde in. Daar hadden we wel eens langer over gedaan. Er was een duidelijk verschil met de Zandkreek. De golven waren een stuk volwassener geworden. Even de helmstok onder het stuurkoord om Wallie een moment zelfsturend te maken en vlug de eindjes los knopen die de opgerolde druil op z’n plaats houden. Voor het bovenste eindje moest ik overeind komen. En dan is op een wild bewegende boot naar goed zeemansgebruik ‘één hand voor je zelf en één hand voor de druil’ wijs. Het was even peuteren om de platte knoop te ontwarren. Ja, eindelijk los. Snel de schoot aantrekken om de druil, die ik altijd om de mast heen gerold heb, vol te laten vallen. Schoot in de klem en als een razende weer aan de helmstok want Wallie dreigde door de vol vallende druil uit het roer te lopen.

Nadat Wallie onder kontrole was kon de boeg stuurboord uit gedraaid worden, richting Wemeldinge. Er stond een pittige zee maar Wallie had er geen problemen mee, en ik ook niet. Meestal wordt het wat rustiger als je voorbij de invloed van de Zandkreek bent. Voor dat gat is het, door de elkaar tegenkomende stromen, altijd wat warriger.

Ik nam meteen koers op Gorishoek. Dat gaf het voordeel dat de wind wat achterlijker dan dwars in kwam. Sjonge, sjonge, wat maakte die boot een schuivers. Gelukkig kwam de wind over stuurboord in, daar kan Wallie, door de volle jerrycans met water en benzine die aan die kant staan, iets meer verdragen.

Ondanks de tegenstroom maakten we toch voldoende voortgang. De eb liep nog tot ongeveer 11.20 uur. In mijn gedachten speelde plan B wat betekende dat als het met de stroom tegen te gek zou worden ik altijd nog rechtsomkeert kon maken om koers te zetten op Zierikzee, of Colijnsplaat. En ook de Zandkreek stond natuurlijk weer ter beschikking hoewel dat dan natuurlijk wel kruisen betekende. Tegen de dijk aan geankerd lag je dan heerlijk beschut tegen de zuidwester bries. Je kon daar zelfs droogvallen op het kleine zandstrandje, dat in de zomer druk bezocht wordt door baders, en naar de friettent lopen voor een koud biertje en een frietje.

Voorlopig besloot ik om maar door te zetten in de richting Bergsediepsluis. Plan B kon voorlopig op ijs gezet worden. Het was schitterend zeilen. Wallie en ik genoten met volle teugen. Ik zat er over te piekeren het laatste rif in het grootzeil te zetten en te hijsen, om de snelheid nog wat op te voeren. Uiteindelijk liet ik het maar zitten, we liepen genoeg vaart en om dan te gaan oetelen met het grootzeil zag ik ook weer niet zo zitten. Bovendien ben ik van nature een tamelijk lui persoon. Hard werken doe ik in principe alleen maar om zo vlug mogelijk klaar te zijn!

Ik vind de hele Oosterschelde een fantastisch mooi zeilgebied. Met wind uit de westhoek waan je je, door de strijklengte van een flink aantal mijlen, op open zee. Er kunnen dan flinke golven lopen en het ruikt er heerlijk ziltig. Eigenlijk vreemd dat je hier zo weinig Drascombes tegen komt. Zeeland is toch ook weer niet zó ver weg. Ik moet van deze gelegenheid maar eens gebruik maken om een beetje reclame voor Zeeland te maken. Nou natuurlijk niet allemaal tegelijk komen want dat is ook weer niet zo goed. We willen ook een beetje onze rust hebben! Maar af en toe met een paar bootjes op een plaat droog vallen lijkt me toch wel leuk. Misschien moeten we maar weer eens een najaarsreünie op de Grevelingen of het Veerse Meer houden.

Een half uurtje later was ik blij dat ik het grootzeil met rust gelaten had want de wind begon meer en meer door te zetten. Eigenlijk was zelfs de druil nog te veel, maar zonder was ook niet zo’n succes, ik had hem nodig op deze wind.

Bij het Brabants Vaarwater aangekomen moest er natuurlijk net een vrachtvaarder op ramkoers liggen. Hoe lossen we dat nu weer op? Overstag gaan leek me in deze situatie niet zo verstandig, dat is op fok en druil, op deze wind, sowieso bijna onmogelijk. Afvallen en een storm rondje draaien was een mogelijkheid, maar ik koos voor bijliggen. De stormfok inrollen was een fluitje van een cent en op de druil bleef Wallie rustig liggen wachten tot het stalen gevaarte voorbij was. De schipper zwaaide nog even vriendelijk naar me wat ik natuurlijk even vriendelijk beantwoordde.

Het is altijd weer verrassend om te zien hoe rustig de boot ligt onder het bijliggen. Dat is toch een prima zeilmanoeuvre om op de plaats rust te houden. Alleen doe ik het altijd zonder fok, vooral met veel wind. Dan vind ik zo’n bakstaande fok maar een extra windvanger die eigenlijk totaal geen functie heeft. Hij laat je, naar mijn idee, slechts sneller verlijeren. Maar in de theorieboeken en op zeillessen wordt de fok er altijd bijgehaald als er over bijliggen wordt gesproken. Meestal is dan ook de rede van sloepgetuigde schepen, het zij zo!

Inmiddels werd, na de passant, vlot de fok ontrolt want we verdaagden in de buurt van de Middelplaat die al droog lag. Om vrij van de plaat te blijven werd de bakstag- een halvewindse koers. De schuivers die Wallie nu maakte werden volwassen. Ik begon alle zware tegenstanden die ik kon vinden van de lage naar de hoge kant te slepen. Elk kilootje gewicht hielp mee om Wallie een beetje meer in balans te houden. Op zulke momenten kan je dan wel eens verlangen naar een, beetje zwaarlijvige, opstapper.

Na dat ik ver genoeg van de plaat verwijderd was kon ik wat ruimer voor gaan liggen en werd het wat geriefelijker. Het is altijd weer een genot om te zien hoe Wallie zich houdt in slecht weer. Ze mag dan wel bij aan de wind zeilen de langzaamste boot van de Drascombe vloot zijn, maar in slecht weer en op ruime koersen is ze niet te kloppen. Dat gelooft tenminste de trotse eigenaar en schipper.

Daar kwam alweer het bekende witte silhouet van het vissers café-restaurant Gorishoek op het eiland Tholen in zicht. Een teken dat we zo goed als op de helft zaten. Ook waren over stuurboord, onder de dreigende donkere regenwolken, de verre contouren van Yerseke te zien. Hopelijk houden ze hun waterlast nog een beetje bij zich, tot nu toe hadden we het droog gehouden. Ik hou namelijk wel van water maar wil zelf graag, als het enigszins kan, droog blijven.

Een blik op mijn polshorloge vertelde me dat het inmiddels kwart voor twaalf geworden was, dus volgens planning moest het gedaan zijn met de eb en kregen we nu het genot van de vloed. Zo ongeveer vanaf Yerseke wordt de Oosterschelde in zuidoostelijke richting een stuk breder. Met laagwater zijn er de droogliggende platen van het Verdronken Land van Zuid-Beveland. Maar de vloed brengt een behoorlijke lap water met achter de horizon verdwijnende oevers. Ideaal om met een Drascombe te zeilen en droog te vallen.

Alleen zijn er ‘natuurlijk’ ook hier weer de onvermijdelijke stukken die gereserveerd zijn voor vogels en zeehonden, en dus verboden toegang. Zeehonden zijn in dit gebied dun gezaaid. Naar mijn weten zijn er een paar jaar geleden een tiental uitgezet maar die vonden het geloof ik niet zo leuk hier. Alleen in de noordwest hoek bij Neeltje Jans worden er nog wel eens een paar gesignaleerd. De enige zeehond die ik hier in Zeeland heb gezien was een verdwaald exemplaar dat na de afsluiting van het Veerse Gat in het Veerse Meer zat opgesloten. Ze hadden speciaal voor hem een paar kleine stenen eilandjes gemaakt en daar lag hij vaak te zonnen. Hij droeg de edele naam van Piër en had een goed leven, alleen wel wat eenzaam. Het meer zit vol met speciaal voor de sportvissers uitgezette forel en daar at hij zijn buik vol mee. Het dier heeft het tenminste vijftien jaar uit gehouden. Ik mis zijn eigenwijze brutale koppie wel eens, achter of naast de boot, want hij was totaal niet schuw. Genoeg over Piër, laten we ons weer op het zeilgebeuren storten.

De trip naar de Bergsediepsluis liep langzaam op zijn eind, de wind was nog steeds fors maar leek toch over z’n hoogtepunt heen te zijn. Als ik de grote fok erop had gehad zou ik hem nu uitgerold hebben. De druil had dan ook uitgereefd kunnen worden; nu zou dat het zeiloppervlak te ongelijk verdelen met als gevolg dat Wallie te loefgierig zou worden.

Weet je wat, we trekken het grootzeil er bij. Nog even racen als slot! Gijpen om over stuurboord bij te gaan liggen, fok weg en dan het grootzeil omhoog. Vanwege de grootzeilval die over de bakboordzijde naar de kuip loopt is het makkelijker om over stuurboord bij te gaan liggen. Dat hijst wat eenvoudiger. Zo heeft elke boot en schipper zijn specialiteiten en eigenaardigheden!

De fok er bij en daar gaan we weer. Het leek wel een jonge hond die van start ging, we schoten vooruit. Aan het zog te zien liepen we zo’n vierenhalf tot vijf knopen. En dan nog wat stroom mee, dat wil dan wel opschieten. We waren dan ook vlot voorbij de hoek waar café Gorishoek staat. Normaal liggen hier altijd veel vissersboten voor anker, maar nu met dat rottige weer was er geen een te zien. Ik werd nog wel opgelopen door een boot van de waterpolitie die een rondje om me heen draaide om te kijken of alles in orde was. Even een groet en de duim omhoog, een groet terug en weg was hij weer, richting Yerseke.

Het was fantastisch zeilen, de golven waren nog flink, maar door de vloed waren ze toch wat handzamer geworden. Wallie kon het grootzeil goed hebben. In de vlagen, die me af en toe het leven een beetje zuur maakten, moest de schoot wel wat opgevierd worden, maar dat maakte het alleen maar spannender. De groene boeien werden met een regelmaat van ongeveer tien minuten gepasseerd en zo kwam de voorhaven van de sluis vlot in zicht.

Dan, als afscheid van de Oosterschelde kreeg ik, door een kleine onvoorzichtigheid van mijzelf - ik moest zo nodig koffie en een stuk brood uit de roef halen - een flinke bak water via de stuurboordzijde naar binnen. Ik had de helmstok wel onder het stuurkoord gefixeerd, maar Wallie liep, even zo goed, vlot uit het roer. Er moest natuurlijk precies op dat moment een pittige vlaag overkomen. Gelukkig stond het grootzeil al ruim over de bakboordzijde op de overloop en was ik als een razende weer terug bij de helmstok, maar het was wel even schrikken. De koffie en het brood moeten maar wachten tot dat we in de haven zijn. En pompen en dweilen moet ook maar even wachten op betere tijden. Gelukkig waren de luikjes voor de bergruimtes gesloten, het water beperkte zich zo alleen tot de kuip en het achterschip en daar is mee te leven.

Voor de Bergdiepsesluis aangekomen moest er een half uurtje aan de wachtsteiger afgemeerd worden, de sluis was net voor mijn neus dicht gedraaid. En doordat dit ook een sluis is waar gewisseld wordt van zout naar zoet water is het meestal even wachten. De tijd werd zoet gebracht met dweilen en pompen. Na het schutten voor anker achter de dijk en genieten van de rust en het eerste biertje van de dag. Ik besloot om hier te blijven voor de nacht, we liggen goed beschut en havengeld vrij. Het zeiltje ging over de giek om meer droge zones te creëren want er dreigde nog steeds hemelwater. Ergens heb ik een haat/liefde verhouding met dat zeiltje. Het is namelijk zo, als het droog is ben ik het liever kwijt dan rijk. Het neemt namelijk een hoop zicht weg, maar aan de andere kant verhoogt het bij veel regen het leefcomfort. En dat is ook veel waard.

Zondagmorgen: Wind NW ± 4 Beaufort, half bewolkt, droog!

Te 07.00 uur overal, de eerste blik uit het luik vertelde me dat het redelijk weer leek te worden. De wind was gedraaid op noordwest en het zonnetje scheen lekker. De nacht was verlopen met veel regen en wind. Na koffie en ontbijt het zeiltje weg om Wallie gereed te maken voor het schutten. Hoogwater was om ongeveer zeven uur geweest, we hadden dus de volle eb om terug te zeilen naar het Veerse Meer. De noordwesten wind betekende wel kruisen, maar dat is op groot open water niet zo’n probleem, de eb zorgde voor turboaandrijving.

Het grote voorzeil ging er op en de druil werd ontreefd. In het grootzeil liet ik één rif zitten. Ik had ook weer niet zo veel haast want als ik op de kentering van het tij bij de Zandkreek was zou dat ideaal zijn. Dan hoefde ik niet tegen de stroom de kreek in. Tegen negen uur door het kleine sluisje, wat deze keer vlot verliep. We hoefden niet te wachten, de sluiswachter kon me voor anker zien liggen en had ons anker op zien gaan. Hij was zeker blij dat hij wat te doen had, Wallie was de eerste op deze vroege morgen. Het is sowieso niet zo’n drukke sluis, meestal alleen hobby vissers en jachten uit het plaatsje Tholen. De meeste jachten gaan door de Krammersluizen om naar Zeeland te komen. Het Schelde-Rijnkanaal is door zijn vaste bruggen (10 meter) een belemmering voor grote zeiljachten en de ongeveer twee uur durende tocht door het druk bevaren kanaal is ook niet zo’n pretje. De beroepsvaart stoomt er met volle snelheid en zorgt zo voor een massieve hekgolf die terugkaatst op de oevers.

Buiten de sluis gekomen konden de zeilen ontplooid worden en zeilden we de voorhaven uit. Het werd een aan de windse koers op de wind uit noordwest. Het weer was, vergeleken met gisteren, totaal verschillend: het zonnetje kwam er lekker door en de wind waaide met een viertje. Ideaal voor de trip terug naar het Veerse Meer. Buiten gekomen kon de helmstok onder het stuurkoord en werd Wallie zelfsturend getrimd. De charterschepen, volgeladen met van een massale visvangst dromende hobby-vissers, zwermden uit over de Oosterschelde. Het was te vroeg om al om een maaltje vis te bedelen, jammer.

Ik bleef zo hoog mogelijk aan de wind zeilen om te kijken of ik in een slag tot Wemeldinge kon komen, of misschien nog wel wat verder. De bedoeling was de hele eb uit te varen en dan pas op de vloed terug te zeilen naar het meer. Het nadeel van de eb is altijd dat je de vloed tegemoet zeilt en daardoor korter van de stroom kan genieten. Meeliften op de vloed kan altijd een paar uurtjes langer. Maar met deze wind was het geen probleem om op de beginnende vloed nog wat door te zeilen.

En zo kwam Gorishoek al weer snel in zicht en konden we de Kaap ronden. Tijdens de allereerste tochten die ik op de Oosterschelde maakte, vond ik het altijd een mijlpaal als we dwars van Gorishoek waren. Net als Kaap Hoorn ronden of zo zoiets! De eerste IJsselmeer oversteek vond ik ook heel spannend en een hele prestatie. Maar met de jaren van ervaring wordt het een gewoonte en lach je er om. Zo is de mens, je gaat steeds grotere uitdagingen aan. Gelukkig kan ik ook heel tevreden en gelukkig zijn op kleine tripjes en ’s avonds genietend voor anker liggen.

Voor Wemeldinge aangekomen moest er weer even oplettend gezeild worden, er was wat beroepsvaart voor het kanaal. Maar er hoefde ditmaal niet uitgeweken te worden, ik kon ruim voorlangs. Bij de Goessche Sas kwam ik op de dijk en moest er een slag naar noordoost richting Galgenplaat gemaakt worden. De mogelijkheid over de plaat te schipperen verviel doordat de ondiepte al droog begon te vallen. En door het Brabants Vaarwater was ook geen optie, dat lag recht in de wind. Beroepsvaart maakte dat daar kruisen ook niet slim zou zijn.

Bij de Galgenplaat aangekomen ging het grootzeil naar beneden en werd de fok opgerold. Even een kwartiertje bijliggen. Ik had trek in een vers bakkie koffie, daar laten we alles voor rusten. Een beetje rommelen onder in de voorraad ruimte waar nog ergens een pak stroopwafels moest liggen. Hoera, zelfs twee pakken waren nog voorradig. Nadat de thermosfles vol was met verse koffie konden de zeilen omhoog en gingen we met nieuwe moed op pad.

De stroopwafels verdwenen als sneeuw voor de zon (ik ben daar namelijk verslaaft aan) en ook de koffie ging er goed in. De lange slag over bakboord bracht ons tot vlak bij de kardinaal Mosselplaat. Nu had ik de keus, meteen de kreek in zeilen richting sluis, of eerst nog een paar slagen naar de Zeelandbrug maken. Ik koos natuurlijk voor het laatste, het was heerlijk zeilweer en hoewel de eb langzaam op z’n eind liep kwamen we goed vooruit. Je kon ook duidelijk merken dat het weer beter was dan gisteren, uit alle hoeken en gaten kwamen de zeiljachten om een toertje te maken.

Het stuk naar de Zeelandbrug lag recht in de wind, dat werd dus met tamelijk korte slagen kruisen. Voor de haven van Kats aangekomen konden we precies op een slag langs de inmiddels droogliggende Galgenplaat komen die ons na een goed uur bij de vluchthaven, iets zuidoostelijk van de brug op het eiland Schouwen –Duiveland, bracht. En vandaar één lange slag onder de brug door naar Colijnsplaat, het viel dus nog mee met het kruisen. Dan nog maar even de boeg richting Zierikzee gedraaid om dan op een gunstige wind terug te zeilen naar het meer. Bij de Zandkreek gekomen stond er al genoeg water op de platen om er, sturend met riem, over heen te schipperen. Dat steekt ten eerste een stuk af en ten tweede ben je verlost van het verkeer in de geul. Na het schutten achter de dijk voor anker om de nacht door te brengen. Al jarenlang, verlost van het geploeter om het dagelijks brood, kan ik me veroorloven om op de maandag in alle rust terug te zeilen naar de thuishaven.

Maandagmorgen, bewolkt, 2-4 Beaufort NW, 12-14 C. Fris!

Na een rustige ankernacht tegen 10.00 uur anker op en onder zeil. De noordwestenwind beloofde een rustige en snelle tocht naar de haven. Rond 13.00 uur afgemeerd en op het brommertje terug naar huis. Het einde van een fijn weekend zeilen en uitwaaien op het water.

Een groet aan alle lezers en lezeressen, en toedeloe!

Reijer Bergsma

houten jekker: doodskist, marine-uitdrukking