De zeewaardige slootvaardige Drascombe

Natuurlijk kun je met een Drascombe de zee op gaan. Met een beetje goede wil kun je dan later sterke verhalen vertellen over hoe erg het was en hoe goed de boot zich hield. Maar het leuke van de Drascombes vind ik nu juist dat je ook in kleine slootjes mini-avontuurtjes kunt beleven. Die kombinatie van eigenschappen is vrij uniek. Ik denk dat er weinig kaluitjachtjes zijn waarop twee personen twee weken komfortabel door Nederland kunnen trekken en daarbij verantwoord het lJsselmeer op kunnen bij windkracht 6 en ook nog eens het slootje bij de Foeke kunnen opzeilen. Toch is dit precies wat een zeilvriend en ik in de winderige zomer van 1993 hebben gedaan.

Om met dat laatste te beginnen: onze tocht was geďnspireerd door de herfstreunie van het jaar daarvoor. Het prachtige wijde, dunbevolkte landschap rond de Beulaker- en Belterwijden deed bij mij het verlangen rijzen daar eens op eigen kiel terug te komen. Met Charles en Joukje den Hartog als gids hebben we er drie dagen de plassen en sloten bevaren. Behalve schitterend mooi is het er ook rustig, want "Drascombes reach parts other yachts can't reach!". Kortom, ideaal Drascombe-gebied.

De Foeke is de naam van een bezoekerscentrum van Natuurmonumenten. Je bereikt het over water door een sloot die als een fuik het riet insteekt en steeds smaller en ondieper wordt. We zeilden en peddelden hem op. Ter hoogte van de aanlegplaats liep mijn Drifter inderdaad even vast, maar getrokken vanaf de wal was hij direct weer vrij. We draaiden hem meteen maar om, voor de terugweg, en legden aan bij de praam die wordt gebruikt voor rondvaarten. Spelende kinderen in de praam vonden het prachtig om bij dit alles te helpen. Een negenjarig meisje vroeg ons of we het zonder hun hulp ook zouden hebben gered. Ik antwoordde maar dat het met hun hulp in ieder geval veel sneller was gegaan. Ze straalde.

Heel anders was het op de eerste dag van de terugweg. Het woei NW 6 á 7, en we wilden in Ketelhaven overnachten. Het laatste stukje was dus de oversteek van het Ketelmeer, drie kilometer lagerwal met de wind dwars in. Het bleek goed te doen, al lagen we op de driekwart meter hoge golven behoorlijk te dobberen. Wel schrokken we van een boot van de Rijkspolitie, die op volle vaart kwam aanvaren. Bovenwinds draaide bij op een meter of twintig bij en een agent kwam het stuurhuis uit om ons eens goed te bekijken. Na korte tijd had hij begrepen dat we geen poging ondernamen schipbreuk te lijden of zoiets engs, maar gewoon aan pleziervaart deden. Hij praaide ons met de vraag: Waarheen? Ik riep: Ketelhaven!, waarop het antwoord luidde: Goede vaart!; en weg stoven ze weer. We beschouwden het maar als een bewijs van zeewaardigheid. Toch wel zorgzame jongens, die Rijkspolitie!

Nu een hart onder de riem voor degenen die menen eigenlijk een grotere boot nodig te hebben: De natuurwet die verklaart dat de snelheid van een boot evenredig is met de wortel uit de waterlijnlengte werkt zo nivellerend dat hij in Nederland bedacht had kunnen zijn. In de praktijk betekent dit dat een twee maal zo lange boot nog niet anderhalf maal zo snel loopt. Op de heenweg, van Durgerdam naar Hoorn, was het ideaal varen: halve wind, West 5 á 6, en ditmaal onder de hoge wal. Dus gereefd grootzeil, de fok een paar slagen opgerold, en lekker achterover hangen in de kuip met de boot op een oor. Het was vermakelijk hoe we werden bekeken door bemanningen van veel grotere meeliggers, die niet wensten te geloven dat we niet binnen korte tijd in hun kielzog uit het zicht waren verdwenen. Onze snelheid op dit traject was 5,2 knoop; niet slecht voor zo'n ukkie!

En wat dat komfort betreft: De echte sportievelingen kamperen natuurlijk onder een kuiptent in hun open boot. Maar als wij ons's avonds terugtrokken in onze kajuit met onder de buiskap stahoogte, een vaste kombuis, een chemisch toiletje en electrisch licht (hoor ik daar Smis afkeurend mompelen?) dan dacht ik: Drascombe Hilton! Jammer dat de Drifter al enkele jaren niet meer wordt gemaakt. Ze worden tegenwoordig al tweedehands uit Engeland gehaald, want de Nederlandse eigenaars doen er begrijpelijkerwijs nauwelijks afstand van.

Op de terugweg naar Voorburg schoven we met gestreken mast onder alle bruggen door, en ik bedacht wat een fantastische kombinatie van ruimwater en vele intieme binnenwateren Nederland rijk is. En de Drascombes lijken er voor ontworpen. Als mij wordt gevraagd: Wat is je vaargebied?, dan ben ik blij te kunnen zeggen: Héél Nederland !

W. Bijster