In het kielzog van Sir Robin

Sinds wij in onze Cruiser Longboat ICHTHUS zeilen houd ik een journaal bij. Het is feitelijk een teken-schetsboek, maar ik noteer daarin, met de hand geschreven, elke door ons uitgevoerde scheepsbeweging in de onvoltooid tegenwoordige tijd, zo nu en dan verlucht met een foto of een tekening. Het boekje staat in onze boekenkast, ’n beetje pedant eigenlijk, tussen een rij zeilboeken geschreven door zeelui van formaat, zoals: Adlard Coles, Gerbault, Slocum, Moitessier, Griffiths en, last but not least, Robin Knox-Johnston.
Op herfstige avonden, wanneer de regen tegen de ramen klettert, de wind de houtkachel laat loeien en wij ons schuitje veilig weten in de carport, verschaft dit boekwerkje ons vaak prettige, en heel soms minder prettige herinneringen.

Ergens gedurende de zomerse maand september van 2006 hebben mijn vrouw en ik, zoals wij dat noemen, een klein rondje IJsselmeer gezeild in onze ouwe trouwe yawl. Op een avond in november beleef ik, na de hongerige kachel met een vers houtblok te hebben gevoed, onder het genot van een glas rode wijn, al lezend in het journaal opnieuw dit reisje en de kommervolle laatste nacht in het bijzonder. Leest u mee?

In het pittoreske Edam glijdt ons scheepje van de gratis trailerhelling de buitenhaven in. Tegen de oosten wind in roeiend ronden wij de palen van het noordelijke havenhoofd en hijsen al het beschikbare Dacron. Onder een stralende hemelsfeer glijden wij ontspannen langs de Noord Hollandse kust richting Hoorn. In de buitenhaven aangekomen gaan de riemen weer in de dollen en roeien wij, onder het toeziend oog van de havenmeester, langs de scheepsjongens van Bontekoe, de oude binnenhaven in.
Kennelijk heeft de aanblik van zo’n zwoegende roeier en een ranke, roodblonde roergangster in een compacte, traditioneel ogende (olielampjes!) tweemaster een vertederend effect op dienstdoende havenmeesters. Althans, wij krijgen een mooi plekje, zonder liggeld, vlakbij de middeleeuwse hoofdtoren. Je waant je daar werkelijk in de Gouden Eeuw, oude geveltjes en eenheden van de bruine vloot versterken het "ende dispereert niet"-gevoel.


Klik voor vergroting

Na een wandelingetje over de kinderhoofdjes van het aloude stadshart stappen wij weer aan boord van onze Longboat.
Wij roeien naar de rede van Hoorn (da’s nog ’n heel eind!), waar wij in een vlak zeetje achter tien meter ketting en vijf meter nylon tros op de betingbalk ten anker komen op twee-en-een halve meter water.

Tijdens het diner in de open lucht genieten wij van het ondergaan van een vuurrode zon achter het havenfront van de oude VOC-stad. Een lichte zuidoostelijke deining wiegt ons uiteindelijk in slaap….

De volgende ochtend brengt een stralende zon, maar geen zuchtje wind. De Japanse spinnaker wordt aan het werk gezet en al spoedig knorren wij met een vier mijls vaartje naar het zuiden.
Rond het middaguur stomen wij de haven van Volendam binnen en meren af in het noordelijke deel. Er worden vanzelfsprekend enkele visjes gekocht en verorberd.
Tegelijkertijd meert de Norfolk Gipsy ZWERVER af. Het valt mij op dat haar bemanning, zo te zien leeftijdgenoten, nauwlettend toekijkt hoe wij op de riemen de haven weer verlaten om de Gouwzee op te zeilen. Zijn wij nou zó bijzonder?
Intussen is de wind gelukkig weer wat opgestoken en zeilen wij met alles vol en bij in een zuidooster drie Beaufort, met veronachtzaming van alle door Rijkswaterstaat gelegde betonning rechtstreeks naar de haven van Marken. In de kaart staat iets ten noorden van de aanlooproute naar de haven van Sijtje Boes een "Berm" aangegeven. Kennelijk een soort onder water liggend dijkje, of zo. Voor onze recht-toe-recht-aan koers ligt deze aardig in de weg. Maar ik zie een zeer oud, zeer Brits ogend, gaffelkottertje er probleemloos overheen gaan, dus kunnen wij dat ook met ruime wind en daarbij het grotendeels opgehaalde midzwaard.
Zonder veel moeite zeilen wij de havenmond binnen en meren af aan een vrij gedeelte van de oostelijke kademuur in de Oude Haven.

In de luwte van de groene geveltjes daalt een drukkende warmte neer op ons schuitje. Passanten drentelen langs de kade. Enkele al wat oudere zeilers blijven staan voor ’n praatje: "Kijk, een tweemastertje. Zo, dat zijn een paar beste riemen, zeg! Slapen jullie ook in dat hutje? Ja, dit is nog echt zeilen hè?". Peinzend: "Joh, dat zoiets nog bestaat!".
"Waar zeilt uzelf in?". Schouder ophalend, verontschuldigend haast, alsof het niks is: "Oh, gewoon, een scherp jacht".
Daar komt zowaar de NorfolkGipsy, die we vanochtend in Volendam ontmoetten, de Marker haven binnenstomen. De schipper staart naar het kleine stukje vacante kademuur tussen ons hek en de voorsteven van een reusachtige Lemmeraak en vervolgens naar mij. "Kunt u die papegaaistok even binnenhalen?" Je moet wel een insider zijn om te weten dat het rondhout dat de achtersteven van een Drascombe siert, demontabel is. En dat blijkt deze schipper ook te zijn. Na de Gipsy precies pas tegen het vrije stukje kade te hebben geprikt, stelt hij zich voor als bovendien eigenaar van de open Longboat AQUAMARYN. Vandaar…

Na wat victualiën te hebben in- en een aantal langspruttelende brommertjes te hebben gadegeslagen, stelt Anneke voor om ons diner ergens op een woeste plaats te serveren. Dat lijkt me een goed idee. We ontmeren en verlaten op de motor voor de ogen van vele toeschouwers, door mijn toedoen op een nogal klungelige manier, de absoluut windstille en inmiddels volgelopen haven.
"Waarom roei je nu eigenlijk niet?". " Je vertelt altijd iedereen dat je daarmee zo nauwkeurig kunt manoeuvreren!". Na óók nog een gedwongen vluchtbeweging voor de binnenlopende veerboot varen we weer de Gouwzee op. Pfff, warm!
De Yamaha ronkt rumoerig z’n lied, maar ja, wat moet je anders? Anderhalf uur roeien….?


Klik voor vergroting

Na het ronden van de dam die de Gouwzee vanaf Marken aan de Oostzijde gedeeltelijk afsluit, sturen wij op het Paard van Marken aan de heiige horizon. Van foto’s op Internet weet ik dat daar een strandje moet zijn. Daar dineren lijkt ons wel iets.
Inderdaad ontvouwt zich na verloop van tijd een blank zandstrand met aan weerszijden vijandige basaltblokken, pakweg 150 meter westelijk van de vuurtoren. Het lood geeft nog een meter water. Motor stoppen en opklappen, wat ’n rust! Roer omhoog in de bun. Het puntje midzwaard wordt geheel in de kast geheven. De boot verliest vaart. Riemen overboord en langzaam naderen wij met onze 30 centimeter diepgang de ogenschijnlijk verlaten kust. Onder het wateroppervlak schemeren grote donkere stenen. Voorzichtig, ICHTHUS’ huidje is maar enkele millimeters dik!

Knarsend loopt de boeg op het zand en komt iets omhoog. Bootschoenen uit en overboord. Het water is warm. Dom, ‘k heb m’n spijkerboek nog aan. De Danforth met ketting over het neusje naar de dijk en vastgeramd tussen enkele stenen. Bruce aan de tros over de kam op de achtersteven zover mogelijk weggeworpen en stijfgezet. We liggen ideaal haaks op het strand.
Anneke heeft de brander opgestookt, in de pan knistert en knettert ‘t. Biertje!
De avondzon straalt nog warm en laat de witte toren, annex aanbouwsel prominent afsteken tegen de wazige omgeving. De hemel, bleekblauw, gaat in de verte onmerkbaar over in het verstilde wateroppervlak.


Edwardiaans wellicht, maar warm en gezellig. Klik voor vergroting

Na een overheerlijk etentje voor twee in de kuip met licht bruisende brandinggolfjes op het strand en uitzicht op "Het Paard", zakt de zon snel achter de kim. ‘t Wordt toch al vroeger donker tegenwoordig. Na de afwas gaat de trawlerlamp aan in de hut en verspreidt een zacht gelig licht.

De westelijke hemel kleurt nog lang rozerood. De barometer staat waar hij al twee dagen staat. "Waterweer" voorspelt voor het IJsselmeer de komende nacht Zuidoost 2 of minder, matig zicht en voor morgen Oost 3. Al met al een garantie voor een rustig nachtje hier op het strandje met een kompaskoers van Zuidzuidoost, zou ik zeggen…
Wij blazen de self-inflating matrasjes nog wat op en de lamp uit. De zetborden hoeven met dit rustige weer niet in de opening te worden geplaatst.
Terwijl wij ons uitstrekken op de kooitjes valt het mij op dat door de hutingang, gericht op het Noorden, een windvlaag naar binnen waait, en nog een, en nog enkele, ondanks de ongewijzigde ligging van de boot. Och, lekker fris, wat kan er gebeuren?
Mijn echtgenote vlijt zich op de bakboordskooi, in de luwte, ontspannen in Morpheus’ armen. Ik luister, met de wind om m’n hoofd, naar de nu hoorbare brandinggolfjes die op het strandje breken en voel de boot halen maken. De boeg beweegt knierpend op het ruwe zand. De wind neemt hoorbaar toe en begint te suizen in de verstaging. De boeg stoot nu en dan op het strand. De olielamp slingert onrustig aan z’n haak. Volgens het stuurkompas is de wind nu geheel tegen de verwachting Noordoost geworden en toegenomen, vage witte koppen lichten op in de duisternis, vier Beaufort zo te zien.
We liggen nu wel aan lager wal! In gedachten zie ik weer de basaltkeien aan weerszijden van het zandstrandje. Wat is het warm in de slaapzak! Het gaat merkbaar harder waaien, of verbeeld ik me dat? Kom op, in ’t donker lijkt ’t altijd erger. De boot haalt met veel geknars flink naar stuurboord. Zouden er onder het vlak ook van die stenen liggen?! Hoe komen wij hier ooit weer vandaan???
Ik bedenk daar, gedurende die lange nacht, in die donkere hut, op die slingerende kooi, circa honderd manieren om vanaf deze lager wal weer in dieper water te komen, maar verwerp ze allemaal weer. Ja, ik heb echt een probleem! Aan de andere kant is het natuurlijk ook wel een uitdaging. Ben je nou een zeeman, of niet?
Opeens moet ik aan Robin Knox-Johnston denken, iemand van mijn generatie, een ex-collega, die in 1968 een jaar verlof nam teneinde met zijn kits SUHAILI om de wereld te racen. Dat is pas een zeeman! Op z’n 67e gaat ie nog een keer rond, single-handed in een Open 60!
In zijn boek "A world of my own", beschrijft hij hoe hij in Otago Bay op het zuider eiland van Nieuw Zeeland, op eigen kracht, door het letterlijk uitlopen van een anker naar loef, vrij komt van lagerwal. Juist, zo ga ik het ook proberen!

Om 07.00 uur is het dag. Anneke slaapt nog. Oost vier, nog recht in het gat waar wij liggen. Het achterschip rukt aan de Bruce.
Voorzichtig verlaat ik, slechts gekleed in mijn onderbroek, de hut. Onder het teakhouten kuiprooster ligt nog een reserve 5 kg Danforth. Deze komt in de plaats van het uitstaande boeganker, dat ik vervolgens met volledig uitgevierde ketting en nylontros zover mogelijk naar dieper water draag, tegen de windrichting in. De golven komen langzaam hoger, arrrgh! Vooruit zeg, Knox-Johnston liep met een stokanker in z’n armen door, tot hij kopje onder ging. Een grote zwaai en daar gaat het anker, gevolgd door de ketting en tros. Ik waad terug en verwijder het reserve grondtakel. Vervolgens wordt de boeg van het strand getrokken aan het ver uitstaande hoofdanker. Bruce houdt het achterschip van de keien. We deinen naar dieper water, ja het lukt! Bij het beleggen van de opgekorte tros, ontwaakt mijn echtgenote. Zij ziet mij druipend in de kuip verschijnen. "Wat ben je allemaal aan het doen?" Bibber, bibber: "Gauw, een handdoek! En m’n trui!".
Na het ontbijt komen achtereenvolgens Bruce en Danforth beiden weer aan boord, gaan het roer en het zwaard omlaag en de fok en druil erbij. Triomfantelijk zeilen wij weg van het strandje en aanliggende stenen naar de vrije ruimte. Bedankt RKJ! We kruisen een streep borrelend schuim…

Was dat het kielzog van Sir Robin?

Jan Best