Waarom een Drascombe

Ik ben zojuist toegetreden tot de Kring van Drascombe Eigenaren.

Wie ik ben? Mijn naam is Jan Hamburg, woonachtig in Heerhugowaard. Zeilen heb ik geleerd op het Noord-Hollands Kanaal in een Flits. Na mijn stuurmans opleiding ben ik nu werkzaam bij een transport bedrijf op de planning.

Zeilen is nog steeds mijn grote passie, dus een zeilboot moest er komen. De keuze viel op een zwaar verwaarloosde Flytour (open, gaffelgetuigde kielboot, polyester romp en houten dek). Hiermee heb ik een aantal malen een flinke tocht gemaakt. Vaste ligplaats De Haukes op Wieringen, het Amstelmeer als vaste stek, lekker rustig, met tien boten noemen wij het druk. Kaag, Alkmaardermeer, overal gevaren, maar zo vol, het lijkt de Kalverstraat wel.

Daarna het IJsselmeer verkend, ook windkracht zes kon ons niet deren. Daar ben ik voor het eerst een Drascombe tegengekomen (een Longboat) en eigenlijk direct verliefd geworden. Maar ja, als je net je schip zover hebt dat niets onmogelijk lijkt, zoek je niet verder. Tot afgelopen zomer: de zinnen hadden (mijn broertje en ik) gezet op een tocht naar Italië, oversteken naar Elba, Napoleon achterna zogezegd.

Boot op de trailer en gaan. Nu was ik al een jaar eerder in Italië geweest en had aldaar een mooi startpunt gevonden, hooguit vijf mijl varen naar Elba, dus daarheen koers gezet. Van tevoren had ik het telefoonnummer opgezocht op internet en gebeld; geen probleem, een kraan was ter plaatse. Op de haven aangekomen bleek er helemaal geen kraan te zijn, bovendien was het een privé haven. Een kraan laten komen en daar te water zou ons halve budget hebben opgeslokt en een mens kan nu eenmaal niet van water leven. Uiteindelijk bleek dat we op de verkeerde haven stonden, 20 km naar het noorden was de haven die ik gebeld had. Toen was alles in orde. We hebben een schitterende tijd gehad, de oversteek was prachtig. Zelfs dolfijnen gezien, een unieke ervaring.

Toch was het niet ideaal, een meren- en plassenboot is nu eenmaal niet bestand tegen de krachten die je op zee tegenkomt, bovendien bracht het kraan incident me op het idee dat een midzwaardboot eigenlijk makkelijker is. Dus wat doe je? Eisen: trailerbaar, midzwaard, ruime kuip en liefst met kajuit. Uitkomst: Drascombe.

Nu kocht een vriend van mijn vader (Martien Keppel) een Drascombe Coaster, één keer meegevaren, maar de erg kleine kuip vonden we niet ideaal. Mijn twee nichtjes varen ook regelmatig mee dus minimaal vier man moet in de kuip kunnen zitten. Toevallig hoorde Martien in Enkhuizen dat er een Cruiser te koop lag, al tijden ongebruikt, dus snel een afspraak gemaakt. Die boot bleek dermate verwaarloosd dat niet direct werd beslist, bovendien vroeg de eigenaar erg veel geld. Daarom maar verder gezocht en gevonden: Miss Marple gelegen in Wierum (Friesland). Gevonden via de website van de NKDE.

Eind november, woensdagavond, op weg. Een tocht van twee uur naar het eind van de wereld. De eigenaar, Albert van Capelle, woont aan de dijk, aan het eind van een doodlopende weg. Direct bij aankomst viel de goede staat van de boot met complete inventaris op, dus de kogel was door de kerk.

Bijna in vaarklare staat ligt Miss Marple nu in de winterberging, het enige wat ik nog moet versieren is een goede pomp en een goede tweede kooi aan stuurboordzij. Hiervoor wil ik graag uw hulp inroepen.

Wie kan mij helpen aan een goede nieuwe pomp of weet of de pomp (waarvan de hendel van het membraan is gescheurd) nog te repareren is? Wie heeft in een Cruiser aan stuurboord een kooi gemaakt en heeft eventueel een tekening voor mij?

Reacties zijn van harte welkom:
tel. 072 574 72 44, fax 072 571 95 98
E-mail janhamburg@hetnet.nl

Jan Hamburg


The arrival of the "Queen of Sheba"
of
"Hoe kom je aan een Drascombe c.q. naam"?

Het is allemaal te danken aan ene Hans Vandersmissen, nou ja…, voor een groot deel in elk geval.

Het begon ergens in het begin van de 70-er jaren van de vorige eeuw. Ik was verhuisd naar een plaats in de buurt van Hoorn en maakte kennis met de lokale huisarts. Daar wij beiden met een Engelse dame waren getrouwd, werd onze kennismaking al gauw intensiever. Die huisarts bleek een enthousiaste zeiler te zijn. Toen hij merkte dat ik als rechtgeaarde zoon van een kustvaartkapitein in elk geval van schepen en scheepjes hield en bijna elk jaar de HISWA bezocht (al had ik nog nooit gezeild) wilde hij graag zijn geestdrift over het zeilen delen en liet mij kennismaken met bladen als Yachting Monthly, Practical Boatowner, de Waterkampioen en later Zeilen.

Het silhouet van de Drascombes in de advertenties intrigeerde mij. Toen ik ook nog geconfronteerd werd met de boeiende verhalen (en meningen) van Hans Vandersmissen over zijn zeiltochten was ik verkocht. Ik begon van een Drascombe te dromen. Andere boten waren mij te groot, te bewerkelijk. Ik bemerkte ook dat mijn vriend de huisarts af en toe moeite had om een bemanning te krijgen voor zijn stalen Koopmans jacht. Nee, het simpele en onafhankelijke van het Drascombe-ontwerp sprak mij aan. Maar ja welk type te kiezen? Vanwege ons klimaat het liefst toch één met een kajuit.
Op naar de HISWA. Evecom was toen nog importeur en stond daar met de Coaster. Dat was eigenlijk een te klein kajuitje. En de Drifter was mij eigenlijk te zwaar. Eerst maar eens zeilen leren.

Mijn toenmalige schoonouders woonden in Poole, Zuid-Engeland dus wat kon er mooier zijn dan daar in de vakantie een zeilcursus te volgen? Dat deden wij. Toevallig in een wat weer betreft heel slechte week. Niet warmer dan 13 graden. Mijn vrouw was niet zo enthousiast. En ik vond het toen fysiek niet zo inspannend dat het mij bevredigde. Kortom het eerste enthousiasme verdween al bleef de verliefdheid op het ontwerp. Artikelen over Drascombes en andere simpele scheepsontwerpen, over jonk-, yawl- en kitstuigen en dergelijke werden uitgeknipt en bewaard.

Kinderen kwamen. Ons huis lag aan vaarwater van een polder. Dus er moest een klein bootje komen. Het werd een Grunman, een Canadese kano voor 4 personen, ideaal voor vlak water en slootjes, leuk voor mijn zoontjes en het gaf een welkome lichamelijke beweging na al dat autorijden door Nederland en kantoorwerk.
Wij namen hem zelfs een keer mee naar Poole Bay en genoten. Maar lastig om alleen te varen. Een paar jaar na de scheiding ging ik verhuizen en daar deze woning niet aan vaarwater lag, bleef de kano onder de coniferen in de tuin en verkleurde het aluminium langzaam naar groen.

Ik ontmoette een andere vrouw, een predikante in Friesland. Wij trouwden; zij kreeg een predikantsplaats in Voorschoten en ik volgde haar. Als boerendochter heeft zij niets met water of scheepjes. Maar ik had een goede smoes. Zij maakt op zaterdag de preek en is dan niet aanspreekbaar. En ik kan wel blijven werken of gaan winkelen maar dat is toch ook niet zo gezond. Nee, ik moest op zaterdag afleiding hebben. Heel iets anders doen. Wat ik ook alleen zou kunnen. Dus ik stelde voor dat ik een Drascombe zou kopen. Op voorwaarde dat zij niet verplicht zou worden het zeilen leuk te vinden of mee te gaan, ging de schat met dit voorstel akkoord.

Dat hield in: zoeken. Ik wou in eerste instantie een tweedehands schip kopen. Als het mij dan niet beviel, was ik niet zoveel geld kwijt. Maar wat ik zag, was toch niet helemaal mijn smaak. En ik vond een goede tweedehands in prijs niet zoveel schelen met een nieuwe. Uiteindelijk overwoog ik een nieuwe Coaster te bestellen bij de Drascombe-importeur Lion Classic Boats in Walsoorden. Ik had al met Austin Lion kennis gemaakt toen hij een stand had op de boten-tentoonstelling in Leeuwarden.

In mei 2001 bracht ik mijn eerste bezoek aan Austin Lion. Een vriendelijke ontvangst viel mij ten deel. Aan het eind van ons onderhoud zei ik dat ik wou eigenlijk wel eerst proefvaren alvorens zo’n majeure investering te doen. Austin gaf mij de naam van ons medelid Bert Zwaag die de laatste Coaster een paar weken daarvoor van hem had afgenomen. Het telefoongesprek met de gastvrije Bert leidde ertoe dat wij op een zaterdag kort daarna zouden zeilen. Zijn Coaster Vet-free (eigen verhaal) lag in de jachthaven van Almere mooi te wezen. Allereerst wees Bert op de veranderingen die hij had laten aanbrengen die duidelijk meerwaarde opleverden. Daarna, het woei windkracht 6, zei Bert: laten wij maar het Gooimeer opgaan in plaats van het IJsselmeer want ik heb nog niet zoveel zeilervaring met dit schip. In een paar woorden: Het zeilen daar vond ik fantastisch. Alleen op fok en druil klokten wij 9 knoop. Wij waren het kleinste bootje op het water maar ik heb mij geen moment onveilig gevoeld. Heerlijk zo laag op het water te zitten. Ik was die dag er echt helemaal uit. Mijn besluit stond vast. Ik ook zo’n boot.

Na de zomervakantie van 2001 gingen mijn vrouw Hanna en ik samen naar Zeeuws-Vlaanderen om de boot te bestellen. Zij wilde er persé bij zijn zodat zij van het begin af aan wist met wie of liever met wat zij mijn liefde moest delen. Zij heeft ook de naam bedacht.

Mijn goede Drentse achternaam Salomons associeert zij met de oudtestamentische koning Salomo en met een spontaan ander gedachtenspinsel kwam zij op de naam van de koningin van Sheba of korter en daardoor beter klinkend, in het Engels "Queen of Sheba".
Voor diegenen die niet bijbels onderlegd zijn: Deze koningin uit Ethiopische streken reisde af naar koning Salomo omdat zij veel over zijn wijsheid en rijkdom had gehoord en zij kwam er diep van onder de indruk. De overlevering wil nu (dat staat niet in de bijbel) dat Salomo en zij een verhouding hadden en dat de voormalige keizers van Ethiopië rechtstreekse afstammelingen zijn.

Ik vind het een zeer toepasselijke naam. Mijn bootje is ook donker, donkerblauw en ik heb daar ook een verhouding mee. Bovendien voel ik mij hiermee de koning te rijk.
Kortom, de boot werd besteld en vlak voor de kerst arriveerde zij in Nederland. Dat werd die avond gevierd met een glas wijn onder het beluisteren van Händel’s "The arrival of the Queen of Sheba" uit diens compositie Salomo.

Momenteel wordt de boot verder uitgerust door Lion. Ondanks Vandersmissens’verhalen komt er een Yamaha 8-pk buitenboordmotor met werkschroef, een gel-accu dus electriciteit en nog een paar kleine dingen die het leven aan boord veraangenamen. Per slot van rekening ben ik bijna zestig en is het voor mij een verwenscheepje. Na de Pasen komt de Queen op 5 minuten fietsen van ons huis te liggen.

De eerste vakantie zal op de Grevelingen worden doorgebracht. En daarna? Wie weet waar de tevens aangeschafte Damco-trailer ons naar toe zal voeren? Ik hoop vele aangename uren met de Queen of Sheba al of niet met ega, kinderen en verdere familie, vrienden en kennissen te kunnen doorbrengen. Na dit lange verhaal begrijpt u dat als u een oudere man met een big smile ziet rondvaren in een Drascombe Coaster er een grote kans is dat ik het ben.
Alleen moet ik nog die Canadese kano verkopen. Dat heb ik mijn vrouw beloofd. Twee verhoudingen naast de onze is zelfs voor een ruimdenkende predikante teveel.

Pieter Salomons.


Little Nemo

Kapitein Nemo aan het stuurrad van de Nautilus

De naam van mijn Coaster is Nemo. Toch heeft de beroemde roman-figuur van Jules Verne geen betekenis voor mijn kleine dappere scheepje. Een beknopte naamsverklaring.

De naam van een boot moet mijns inziens bij voorkeur kort en krachtig zijn: Oranje, Flyer, America, Spray, Argo, namen die beklijven als een slok goede wijn. Ze blijven hangen. Je ziet er ook meteen de schepen bij. Vandaar: Nemo, welluidend en vrolijk als twee muzieknoten.

Vaak denken mensen dat mijn bootje naar de beroemde en beruchte kapitein Nemo is vernoemd. Die duivelse zeebonk is door Jules Verne als een wrokkige cultuurpessimist geschapen om eeuwig in zijn Nautilus onder de golven van de oceanen te dolen als een krankzinnige U-boot gezagvoerder, een Wagneriaanse Vliegende Hollander, een gekwelde geniale gek. Het zou te veel eer zijn om mijn notendopje naar deze zwaargewicht uit de maritieme- en sciencefiction literatuur te vernoemen.


 

De Nemo waar mijn boot naar is vernoemd is hier in Europa alleen bekend bij stripfanaten. Het is een jongentje dat door de briljante Amerikaanse tekenaar Winsor McCay is bedacht voor zijn krantenstrip uit de periode 1905 - 1914. Little Nemo beleeft de meest fantastische avonturen. Niet hij, maar anderen zorgen voor de onverwachtte verrassingen tijdens zijn dromen. Nemo's strapatsen lopen altijd goed af en juist dat element bevalt me. Hetzelfde geldt tot nog toe voor mijn boot, dus waarschijnlijk straalt het fortuin van de originele Nemo af op mijn scheepje, want ook wij halen soms fratsen uit die met enige fantasie in een rampenscenario kunnen eindigen. Het noodlot ontloop je immers zeker zo vaak met geluk als met gezond verstand.


 

De kleine Nemo wordt na zijn belevenissen in dromenland altijd weer veilig wakker hoewel hij soms aan het einde van een huiveringwekkend avontuur wel uit zijn bed is gevallen. Jules Vernes boeken over kapitein Nemo zijn overigens ook nog zeer de moeite van het lezen waard en de twee delen van 20.000 Mijlen Onder Zee bevinden zich in mijn boordbibliotheekje. Het boek met de verzamelde strips over Little Nemo van Windsor McCay in een boek van anderhalve kilo op A3 formaat is daar helaas wat te fors voor.

Little Nemo, door Winsor McCay,
uitgeverij Evergreen, ISBN 3 822 6300 9,
gekocht bij Lambiek Strips, Kerkstraat,Amsterdam

Ton Wegman


Geen begin van het nieuwe zeilseizoen

Omdat ik de winter gewoon ben blijven doorzeilen zal voor mij het zeilseizoen over een paar weken niet beginnen maar gewoon doorgaan. De gretigheid om door te blijven varen was in het afgelopen najaar nog groot. De zeilhonger was niet gestild, ondanks een zeilvakantie in Zeeland en diverse tussen-door- vakanties. Ja, dat kun je hebben als je nog niet zo lang de trotse eigenaar bent van een echte Drascombe Lugger. De ongeveer twintig jarige tweeling Castor en Pollux is pas sinds september 2000 in ons bezit.

Een nadeel is dat ’s winters zeilen een koude bezigheid is. Maar, om met Cruijff te spreken ‘ieder nadeel heb zijn voordeel’. In de winter zeilen is ook genieten van de rust in gebieden waar anders Randstad drukte heerst. Voorrangsregels hoeven niet te worden toegepast omdat er geen verkeer is; mooie strandjes en aanlegplaatsen zijn onbezet waar zomers drie rijen dik wordt gerecreëerd. Eenden kijken je wantrouwend aan (zoals het ook hoort) waar ze zomers meteen om brood komen bedelen.

Vanuit de thuishaven Naarden is mijn vaargebied het Gooimeer en de randmeren. Maar die kou… De laagste temperatuur gemeten aan boord tijdens een prachtige winterse zeiltocht met een strak blauwe lucht en een wind 4 uit het oosten was –4 graden. Het opspattend water uit de zwaardkast bevroor gelijk op de vlonders. Natte vlonders na een omgevallen kop koffie moesten meteen worden droog geveegd om een Jaap Eden baan aan boord te voorkomen. Het weer was prachtig en op kou kun je je kleden.

Mijn standaard antwoord op de vraag of het niet te koud op het water is, is dat je met een petje op en een dikke trui aan een eind komt. Warm blijven heeft ook met veiligheid te maken en ik mag van de thuisbasis in de winter uitvaren als ik beloof ook weer veilig terug te komen. Grootste gevaar is onderkoeling en dat gebeurt vooral erg snel als je in koud water valt. In water van ongeveer drie graden ben je nog vijf à tien minuten in staat om zinnige dingen te doen. Daarna is het snel afgelopen met verstandig handelen. Na nog een kleine 45 minuten bewusteloosheid komt Maarten voor altijd zijn pijp halen. Intussen komt niemand je redden want je vaart buiten de Randstad drukte. Ieder voordeel heeft ook zijn nadeel.

Het petje en die trui is maar een deel van de waarheid. De volledige uitrusting (zwaarste bepakking) is als volgt (van binnen naar buiten):

  1. thermo ondergoed om de huid droog en warm te houden;
  2. dun wollen truitje;
  3. fleece overall;
  4. droogpak: waterdicht met rubberen sokken en manchetten rond polsen en nek en met een waterdichte ritssluiting (na aantrekken de lucht er uit laten lopen door de kraag open te houden en op je hurken gaan zitten);
  5. regenbroek en regenjack;
  6. zelfopblazend reddingsvest;
  7. gevoerde waterdichte laarzen;
  8. waterdichte handschoenen;
  9. bivakmuts, sjaal plus petje.

Als u ooit hoort van een varend Michelin mannetje dan weet u nu de thuishaven. Als de omstandigheden wat minder streng zijn kunnen een of meer lagen worden afgepeld. Het droogpak blijft altijd aan voor de veiligheid, omdat ik het dan nog een paar uur uithoud mocht ik in ijskoud water vallen.

Verdere veiligheid komt van de waterdicht verpakte gsm en zes vuurpijl patroontjes (Nico Signaal) in een soort pistool in een van de jaszakken. Met een gsm is het dan wel zaak je eigen nummer te onthouden. De Kustwacht heeft het een aantal malen meegemaakt dat bellers in nood op of in het water die door de politie werden doorgeschakeld hun eigen nummer (door de paniek) niet meer wisten. Dit maakt terugbellen een beetje lastig.

Met bovengenoemde uitrusting en een volle thermosfles koffie kan een winterse zeildag eigenlijk niet mislukken.

Ieder voordeel heeft ook zijn voordeel.

Rob Moot


Onze boot heet daarom waarom

Over het kiezen van een naam voor een zeegaande boot moet je niet lichtzinnig doen. Ten eerste dient de scheepsnaam de veiligheid, dit door de zeegoden gunstig te stemmen. Ten tweede de communicatie, door niet onbegrijpelijk of te algemeen te zijn. Tenslotte is het meegenomen dat de naam past bij de boot en de schipper bevalt.

Voor onze Drascombe lagen twee keuzes voor. Een watergebonden vogel, min of meer naar z’n amfibisch gedrag, of een historische topografische naam, geïnspireerd door de rijke geschiedenis van boot’s toekomstig vaarwater. Kennis omtrent de geschiedenis van het IJsselmeer en Waddenzee kwam niet verder dan Flevo en Almere. Alles wat er op de oudste kaarten aan naamgeving van stromen, banken en bijzonderheden is te zien, werd met de loep doorgenomen zonder resultaat.
De bijzondere gelijkenis van de Coaster met vogelfamilie Stern was treffend. Scherpe snavel, bol koppie, raampjes als oogjes en een lange oplopende staart. Stern was een optie maar te algemeen. Witte Stern was meer uitgesproken en beter ook gezien de kleur, maar helaas, een exoot.

Uitkomst bracht een dwaaltocht door het ethymologisch woordenboek, die de naam ‘Enedseae’ liet zien in de beschrijving van het woord ‘eend’. De watervogel die zich gelijk de boot, over inplaats van door het water begeeft. Enedseae klonk mystiek, historisch, vrolijk en onbekend.
Enedseae betekend eendenzee, afgeleid van het Germaanse anud-saiwa (eend-zee), en is de vroegst bekende naam van het voormalige eiland Ens. Het latere Schokland dat nu verdroogd in de Noordoostpolder ligt. Een oorkonde uit 793 maakt er voor het eerst melding van. Een uit 1150 daterend register noemt het ‘Endesle’. Tenslotte komt in 1302 ‘Enesce’ en in 1324 ‘Enze’ voor.

Enedseae dus, een historisch, nautisch toponiem, vernoemd naar een watervogel. Een bijna vergeten naam nieuw leven inblazen, een romantisch denken aan een tijd van zachte oevers en vrije stromen. Een stil protest tegen inpoldering en bedijking. Gewapend met deze naam werd de boot zonder veel rituelen omgedoopt op het strand van Schellinkhout.

Na het seizoen werden de boeken weer opengeslagen op zoek naar meer verhaal achter de naam. De oorkonde uit 793 brengt ons terug naar de vroege middeleeuwen. Door geologisch onderzoek kunnen we een reconstructie maken van het IJsselmeer rond 800, dat toen veranderde van zoetwater veenmeer tot brakwaterlagune. Door een toenemende invloed van de Noordzee werden zeegaten en geulen groter. Steeds meer veengronden rond het veenmeer werden weggeslagen.
Een centraal gelegen groot eiland, waar Schokland en Urk later van resteerden, was zuidoostelijk door een veenrug met het hoge land verbonden. Die verbinding werd doorsneden door de oude loop van IJssel ten zuiden van het huidige Schokland. Bewoning schijnt er toen niet geweest te zijn want alle archeologische vondsten uit de Noordoostpolder dateren van vóór de 4e of na de 8e eeuw.

Terug naar de oorkonde. In de latijnse tekst wordt geen melding gemaakt van een eiland of plaats maar wel van een grens, ‘Land dat zich uitstrekte van Berilsi tot onder de grens met Enedseae’. Die grens was waarschijnlijk de oude IJsselloop, dat wat er boven lag was Enedseae. ‘Berilsi’ is de naam van een verdronken nederzetting die men lokaliseert in het ‘Seaeuuald’ of ‘Suifterbant’, een zompig bos gelegen tussen Enedseae en ‘Thornspiick’, het latere Elburg.
Urk, de op het eiland gelegen hoge keileembult, werd pas later (966) een zelfstandig eiland, vernoemd naar z’n kenmerk de ‘Ork’. Een naam waarin men een duistere prehistorische betekenis vermoed. Het bij het hoge land gelegen deel bleef Enedseae of Ens heten. Na 1000 werden beide eilanden steeds kleiner door voortdurende landverliezen aan een verziltende zee.


Enedseae kan dus in de 8e eeuw en mogelijk ook daarvoor, de naam van het grote eiland in het veenmeer zijn geweest. De letterlijke betekenis van Enedseae en de aannemelijkheid van veel eenden in een veenmeer, doet vermoeden dat het eiland vernoemd is naar het water waar het in lag. De Germaanse oorsprong van de naam wijst op gebruik door ongeletterde Friezen die toen het kustgebied bevolkten. De directe invloed van de Romeinse naam ‘Flevo’ strekte zich niet boven de Rijn uit en is in de 8e eeuw in onbruik geraakt. Het water waar Bonefatius in 754 het Cristendom van Utrecht naar Friesland voer werd ‘Aelmere’ genoemd en omschreven als een ‘stagnum’, een rustige zoetwaterplas. Tot de 12e eeuw blijft het grote meer ‘Almere’ heten maar in de 12e en 13e eeuwse bronnen wordt geen specifieke benaming meer aan het water gegeven. In 1340 komt voor het eerst de naam ‘Sudersee’ voor.

Waarheid, fantasie of geschiedsvervalsing, gesteld kan worden dat Enedseae, de naam van onze Drascombe, de lokale naam was van het grote eiland gelegen in de oer-binnenzee van Nederland. Een eiland vernoemd naar haar omringende water. Land noem je niet zomaar zee. Voor ons het laatste woord...

IJsselmeer
Sudersee
Aelmere
Flevo
Enedseae

Enedseae schipper, Earik Ayo Wiersma
Amsterdam, 2002

Bronnen en literatuur
Blok, D.P., ‘Een diplomatisch onderzoek van de oudste particulier oorkonden van Werden’ Assen 1960
Berkel, G.van, Samplonius, K., ‘Het plaatsnamenboek’ Houten 1989
Rappol, M., Soonius, C.M., ‘In de bodem van Noord-Holland’ Amsterdam 1994
Geurts, A.J., ‘Schokland de historie van een weerbarstig eiland’ Zutphen 1991
Chandali, R., ‘Schokland revisited’ Zutphen 1992
Triest, J.C.van, ‘Omme noetsz will der zee’ Amsterdam 1981
Heide, G.D. van der, ‘Van landijs tot polderland. Tweeduizend eeuwen Zuiderzeegebied’ Naarden 1972