Drascombehistorie:

less is more

Eerlijk geschreven werden de eerste Drascombes in Nederland een beetje vreemd gevonden: zo’n klein bootje met twee masten, brede kont met groot gat erin, rare bruine zeiltjes, gekke papegaaistok, standaard Brits lelijke pastelkleuren. ‘U gaat zeker vissen’ was de minst bizarre vraag. Of: ‘als je nou toch zó op vakantie moet’, van een paar opgeschoten jongens met brommers op een brug in Lemmer waar ik onderdoor roeide.


Drascombes bij Vlieland. Klik voor vergroting

De Vinexbak overwonnen

‘Wat een onverkoopbaar schip’ sprak de vader van mijn favoriete ex toen ik Pride kocht. Zelf kocht hij enkele jaren later een Contest 32: van alle Contesten de verhoudingsgewijs kortste, hoogste, breedste, lelijkste, maar wel met stahoogte door de hele boot en een aparte eigenaarshut achterin. Hij had een punt, want de waarde van jachten werd –en wordt goeddeels nog steeds- uitgedrukt in kubieke meters waterdicht omsloten ruimte tegen een zo laag mogelijke prijs.

Toch klopte er iets niet: jachtwerven zoals Westerly en Moody mikten volledig op de comfort-containermarkt met TL-buis-verlichting en formica oppervlakken en..... gingen meerdere malen op de fles. Conyplex, in dezelfde markt, meende ook via een faillissement de schuldeisers te moeten afschudden en draait bij tijd en wijle nog steeds stroefjes. Goed, Honnor Marine had het ook niet gemakkelijk, to say the least, zal wel iets met de Britse manier van zaken doen te maken hebben, maar na tien jaar verkocht voornoemde a.s. schoonvader b.d. zijn Contest 32 met flink verlies; ‘Pride of the Fleet’ zou nu, 32 jaar na aankoop, ruim het dubbele opbrengen dat ik er destijds voor betaald heb.

Drascombesociologie

Inmiddels is de Nederlandse samenleving niet alleen tweegedeeld in autochtoon en allochtoon of rijk en arm, maar ook in comfortvaarders en sportieve vaarders. De in serie gesmolten Bavaria’s, Jeanneaus, Beneteaus en Hunters rondvarende populatie die niet zonder Aupingmatras, douche en boegschroef kan zeilen, kon niet meer verschillen van de lui die hun vertier in Drascombe-achtige bootjes zoeken. Overheersen in de eerste categorie vette buiken en billen, opgemaakte dames en SUVs wachtend op de wal, in de tweede categorie zie je toch meer tanige Pé Pastinakels, sportief meevarende meiden, zuinige autootjes voor de trailer en een hoger opleidingsniveau.


Posthuiswad. Klik voor vergroting

De manier van varen vergt zeilervaring en levenswijsheid: niet binnen zitten maar buiten; bewegen in plaats van op knoppen drukken; dicht bij het water in plaats van weggestopt achter te hoge ‘sprayhoods and dodgers’ (buiskappen en spatlappen); het strand op lopen in de vrije natuur in plaats van in een marina zes rijen dik aangesloten op gas, water en electra; genieten van de natuur in plaats van ‘comfort’ onderdeks dat om de haverklap kapot gaat omdat (zee)water en electriciteit elkaar slecht verdragen en dan vooral ongemak bezorgt. IJsklontjes in de pure malt whiskey, twee douches en een magnetron in de kombuis zijn irrelevant voor zeilgenot; van vluchten ganzen bij invallende avond geniet je het meest in je ruime open Drascombekuip, zonder de extra ballast van vriesvak en onvermijdelijke rompslomp van accu’s en generator.

De Imitatio Drascombi

Deze onbespoten manier van varen is niet uitsluitend voorbehouden aan Drascombevaarders, maar met de Drascombes is die trend wel gezet. Toen de Fransoos Charles-Henry le Moing een decennium of twee geleden begon met Raids te organiseren en achter zich keek, zag hij vooral Drascombes. Er waren nauwelijks andere boten om dergelijke roei-zeilrallies mee te varen, behalve enkele lokale types, zoals de onvolprezen Oselvars, punters, 12-voetsjollen, scheehouten wherries en whitehalls. Inmiddels zijn de Raids in aantal toegenomen als konijnen in een duingebied en is daarmee het aanbod van ‘Raidboten’ gegroeid. Toch lijken die hoofdzakelijk op Drascombes. Zo is de Schotse ontwerper Ian Oughtred een productieve ontwerper van reeds eeuwen rondvarende boottypes, die hij, met hun brede overnaadse gangen in hechthout, scherpe lepelboegen, midzwaarden en werkbotentuigen, verdacht veel op Drascombes doet lijken. Zo toont zijn Caledonian yawl, een soort spitsgatlugger, aan waarom Drascombe yawls zelden spitsgat zijn: de druil zit dan in de weg; dat wiel hoefde John Watkinson niet uit te vinden. Op de platte spiegel van de Drascombes Driver en Drifter is naast het roer ruimte voor de druil. Ook de volle kont van de –wel spitsgat zijnde- Peterboat biedt ruimte aan een excentrische druil.


´Pride´ op het Zearte Water. Klik voor vergroting

Het naäpen van Drascombes is overigens al veel eerder begonnen: de oorspronkelijke Cornish Crabber werf begon als Drascombe agent in Cornwall. Al spoedig brachten zij de Cornish Coble op de markt, die je, net als de T-Ford, in iedere kleur kon krijgen als het maar zwart was. Met slechts één mast miste het apparaat het lugger-appeal, maar toch werden er wel enkele verkocht. De bekende VPRO-journalist (Eurobureau e.d.) Philip Scheltema had er één liggen aan het Balatonmeer. Later maakte de werf furore met de door Roger Dongray ontworpen Cornish Crabbers, die er reuze authentiek uitzagen maar niet vooruit te branden waren. Dongray revangeerde zich met de Shrimper die, alhoewel korter en breder dan een longboat, beter doorvaart.

Drascombe Qua Patet Orbis

Onderwijl maakten veel moedige lieden enorme reizen met Drascombes. Het Britse stel Ken en Di Duxbury, bevoer in hun houten lugger ‘Lugworm’ in 1970 eerst een jaar lang de Aegeïsche zee alvorens van Griekenland langs de kust naar Engeland te zeilen. Zij vormden een inspirerend voorbeeld, mede door de mooie boeken die Ken daarover schreef. Vóór Ken en Di had Ian Brinkworth in zijn lugger twee jaar vakantie gevierd tussen de Griekse eilanden. In dezelfde periode (1969-1970) zeilde David Pylde zijn Drascombe lugger van England naar Darwin, Australia. In 1973 stak Geoffrey Stewart de Atlantische Oceaan over in zijn Drascombe longboat: de 2000 mijl van Gibraltar naar St Vincent deed hij in 59 dagen. Deze laatste twee tochten konden nauwelijks als plezierreis bedoeld zijn en dat gold zeker voor Webb Chiles. Met zijn Lugger ‘Chidiock Tichborne’ maakte hij een masochistische reis van de Amerikaanse westkust tot in de Rode Zee (waar arrestatie zijn aardklootronding kortsloot). Hij leek vooral uit op zelfpromotie en droeg niet de vreugde in varen uit zoals Ken Duxbury dat zo prachtig kon.

Een heel andere route de andere kant op, van Nederland naar de Middellandse zee, nam Peter Knape die zijn houten longboat cruiser met rolbank ‘Legolas’ via de Franse kanalen roeide. Daarna kon hij een jaar onder de luiken met een hernia, maar hij had ‘t ‘em toch maar geleverd. De meeste zeegaande Nederlandse Drascombe-eigenaren opereren vanaf de Waddeneilanden en kijken daarbij niet op een windkrachtje of 6. Jan Maurits en Jacoba de Jonge hebben in hun coaster ‘Riddle of the Sands’ al eens de Noordzee overgestoken. Voor de Britten lijkt dat slappe thee te zijn.

De Britse Drascombe Association organiseert jaarlijks een tochtje over het Kanaal; er doet zelfs regelmatig een Dabbertje mee. Ik heb nogal wat Noordzee oversteken en tochtjes langs de Engelse Zuidkust op mijn kerfstok, die vallen te rangschikken onder uit de hand gelopen dagtochtjes. Ze duren wel eens een etmaal of vier; zo hebben ‘Pride’ en ik ooit vijf dagen gedobberd tussen Harwich en IJmuiden bij volslagen blakte –waarin ‘Pride’ miraculeus voldoende wind wist te vinden om zichzelf te sturen- en mist.

Een normale oversteek, pakweg tussen Den Helder en Southwold, neemt met de nodige windstilte onderweg een uur of 40, bij een halve storm in de rug 30 uur en dat kan een fit mens wel aan zonder al te veel slaap. Deze afstand is met een slordige 120 zeemijlen veel langer dan de oversteek die de meeste jachtjes nemen, van Duinkerken naar Dover, maar die heeft het nadeel dat hij door de scheepvaartroute op zijn smalst –en drukst- leidt. De concentratie van ‘grote jongens’ is op de noordelijke oversteek veel geringer.


wannabee Drascombe Dorestad 2005. Klik voor vergroting

Ook de verkoop van Drascombes had enige tijd een wereldwijd karakter. Luke Churchouse wist als aimabele Honnor Marine baas veel agenten in verschillende landen te werven, tot in Frankrijk en de VS toe. De heren die na hem de scepter zwoeien, met name Victor Rosati, wisten veel goodwill te verspelen. Nadat Rosati de tent over de kop had gejaagd hebben de Drascombes enigszins in de lucht gehangen. Er zijn serieuze pogingen ondernomen om ze in Nederland te bouwen want dat kon hier toen veel goedkoper, maar inmiddels had Steward Brown weduwe Kate van Drascombe ontwerper John Watkinson zo ver dat ze hem de rechten gunde. Ook het onder ander management doorgestarte Honnor Marine viste achter het net, al bleven zij, met gebruik van oude mallen, Drascombes bouwen onder de naam Original Devon Yawl.

Rallies......

Britten zijn meestal een stuk socialer dan Nederlanders, maar toch hadden wij in 1977 de eerste serieuze organisatie van Drascombe eigenaren, de NKDE. Tijdens een eerste winterse bijeenkomst in hotel Terminus in Utrecht (na een gedwongen overnachting vanwege een gemiste trein naar Zwolle had ik er maar ineens een zaaltje besproken) was het enthousiasme onder aanwezige Drascombe-eigenaren zó groot dat ter plekke de NKDE werd opgericht met de afspraak die zomer een bijeenkomst te organiseren. Onder de founder members uiteraard het echtpaar Hertzberger en onder andere de families Meilof, De Jonge, Snijders, Frank en Yvonne Bos, Dries Jonkers, Hester van Rees en het echtpaar Van Hulst, dat hun tuin aan het water te Lemmer als eerste locatie aanbood. Daar streken we in het eerste weekend van september neer. Inmiddels hadden we ook al een ‘orgaan’, de Berichten aan Drascombe Varenden, vormgegeven en gedrukt door Eric Veth, destijds samen met zijn broer Allan Drascombeimporteur. Na verloop van jaren schreef ik minder en nam Paul Hofman de redactie over. Uiteindelijk zou onze latere Smoking Trinity Gerard te Kloeze ook het blaadje bestieren.

Sinds het eerste jaar valt de ‘zomer’ –misschien is ‘herfst’ een beter woord- reünie van de NKDE op het eerste weekend in spetember, als passende voorbereiding op de troonrede twee weken later. Vanaf 1991 zijn daar Waddentochten tijdens Hemelvaart en, voor bikkels, in november bijgekomen. De novembertochten zijn van een bijzonder karaktervormend gehalte, waarbij de temperatuur zelden boven de 7° C stijgt en de windkracht zelden onder 7 Beaufort zakt.

In 1980 ben ik met ‘Pride’ naar de Beaulieu river gevaren, waar een Britse Drascombe Association moest worden opgericht. Het was reuze gezellig, met een mooi diner in de Shipwright’s Arms te Buckler’s Hard, maar een echte vereniging kwam pas zeven jaar later van de grond. Angelsaksen houden niet van informele kringen zoals onze NKDE; zij hechten aan committees en flag officers en hebben niet alleen een voorzitter, maar ook nog eens een President, wat vooral een eretitel is. Het verschil met een uit de losse pols opgerichte Kring is dus een slordig decennium. Maar wij hebben makkelijk praten, want wij hadden Gerard te Kloeze, die single handed de NKDE draaiend hield, bijeenkomsten organiseerde en ieder van ons regelmatig voorzichtig op de mogelijkheden wees om de BaD te verrijken.

Ondanks het gevaar voor bureaucratie hebben onze Britse broeders hun degelijker bestuursstructuur ten goede aangewend door zichzelf veel meer excuses te verschaffen om in aangenaam gezelschap een pint of vier te heffen en door op veel plaatsen in het Verenigd Koninkrijk regelmatig rallies te organiseren. Met name tijdens die in Schotland wordt nu en dan aan Nederlands vlagvertoon gedaan; zo voeren in 2000 vijf Nederlandse Drascombes en een in Nederland gedetacheerde Schotse Drascombe mee.

Het sociaal zeilen bleef niet beperkt tot het geboorteland der Drascombes. Klaas en Regitse Hoogerwerff hebben een huis in Ærø, Denemarken, vanwaar ze sinds 1996 rallies voor Drascombes organiseren. Bij de eerste deden 16 Britse en Nederlandse Drascombes mee in de grootst mogelijke harmonie. De heren Monk, Tromp en De Ruyter draaiden zich om in hun graf. To rub it in vertoonden 10 Nederlandse Drascombes de vlag te Calshot, bij het 10-jarig bestaan van de BDA in 1997.


´Pride´ bij Wapenveld Dorestad Raid 2006. Klik voor vergroting

....en Raids

Reeds eerder haalde ik de Galliër Charles-Henry le Moing aan, die de moderne Raid-mode op zijn geweten heeft. Curieus, want in de tijd van de Charlemagne zaten de Franken aan de receiving end van de vikingraids. Aan zijn achternaam te zien is le Moing echter een Normandiër: nazaat van vikingraiders die in Frankrijk zijn bijven hangen en vandaaruit in 1066 onder William the Conqueror naar Engeland zijn overgestoken. Doordat zij in de slag bij Hastings de inheemse adel versloegen, hebben deze verfranste vikingen op hun geweten dat Engeland wemelt van de Gallische toponiemen en eigennamen die op onnavolgbare wijze worden verbasterd. Zo spreekt men Beaulieu-river uit als bjoeli rivver en de voornaam Hugh als gjoe. In het standaardwerk The Queen’s English steekt men daarmee de draak door als auteurs te vermelden Lady Minah Brayne d’Hemmidge en Sir Vere Brayne d’Hemmidge. Wie het hardop uitspreekt vat’em.

Le Moing organiseert Raids van Portugal tot Schotland en verdient beslist een kapelletje aan enige zeedijk, voor de wijze waarop hij de sportieve belangstelling voor Drascombe-achtige bootjes heeft aangewakkerd. Nederlandse roei/zeilers bleken vooral warm te lopen voor de Great Glen Raid, onder andere door de habitat van het monster van Loch Ness. Diverse Drascombezeilers hebben er aan meegedaan en in 2005 werd de Raid zelfs gewonnen door een Nederlands stel: Arend Lambrechtsen en Nelleke Linthorst in de door Arend ontworpen ’Little Nell’, een zeer bekwaam roei-zeibootje van 5m lengte, dat roeit als een wherry en zeilt als een speer. In 2003 deden Hans en Maartje Manschot mee aan de Raid Finland in hun houten lugger Anna.

Raids bleken zó populair en Nederland telt zó veel –overwegend van Drascombes afgekeken- Raidboten: wij vonden niet langer zonder Nederandse raid te kunnen, maar vonden het wat genant te wachten tot een Galliër het zou komen organiseren. Dat hebben we toen maar zelf gedaan, door eerst de Stichting Natuurlijk Varen op te richten, met in het bestuur Arend Lambrechtsen, Wouter van Heeren, Bart-Jan Bats, Antoine Maartens en ik. Inmiddels heeft Antoine weer afscheid genomen en wijdt Michel zich geheel aan Drascombes. Misschien dat daardoor het aan onze raids aantal deelnemende Drascombes beperkt is gebleven: meestal alleen ‘Pride’ eigenlijk, en dan niet eens als deelnemer maar als zeilende hulpboot. Overigens blijkt in dat divers veld steeds weer de superioriteit van John Watkinsons geesteskinderen: ‘Pride’ is de grootste boot maar gaat het makkelijkst onder bruggen door –de masten strijk ik varend- en inderdaad mis je als hulpboot optredend een motor niet.

Onze eerste Raid was in 2005 de Dorestad Raid, van Deventer naar de Beulaker. Het enthousiasme was groot en sindsdien organiseren we hem jaarlijks aan het eind van de zomervakantie, doorgaans in het eerste weekend van september, wat helaas samenvalt met de NKDE-zomerreünie, hetgeen de beperkte Drascombedeelname verklaart. Bij de Dorestad Raid slapen de meeste deelnemers op een hotelschip, de ‘In Dubio’ van Leo Versloot uit Heeg. Dat comfort heeft de populariteit wat te groot gemaakt, zodat we in 2007 een tweede hotelschip nodig hadden en ons thans afvragen of dit de goede weg is. In het voorjaar varen we in Friesland de Radboud Raid, waarbij in tenten of aan boord van eigen boot wordt geslapen en daarvan verwachten we een sanerende werking. Zodra de agenda’s naast elkaar zijn gelegd proberen we in 2008 een tweedaagse Radboud Raid met zoveel mogelijk Fries inheems maritiem erfgoed te organiseren.

Mies von der Rohe en Goethe als toergoeroes

Voor cultuurpessimisten zoals de heren Balkenende en Donner, die voortdurend de zwarte kanten van onderwijs en samenleving benadrukken, en net als Marokkaanse rappers zó vaak om ‘respect’ vragen dat ze het juist niet krijgen, maar met de watersport lijkt het toch nog goed te komen. Toegegeven, jachten worden steeds groter, de billen op de Bavaria’s steeds dikker, de Miami Vice strijkijzers en sloepen met rechtop gezette varkens steeds talrijker, maar de onderstroom van kleine sportieve bootjes wordt óók steeds sterker. Zelfs in de superzeiljachten is een keer ten goede ingezet: mooie klassieke ontwerpen van onder andere Gerard Dijkstra raken met regelmaat het water en vermogende lieden spenderen kapitalen aan het wedstrijdzeilen in J-klassers, 19e eeuwse schoeners en kotters. De directeur van de Hiswa, André Vink, klaagt al over een dichtslibbend reservoir van onverkoopbare tweedehands jachten: kennelijk daalt de belangstelling voor de smakeloze massa.


happy family off Harlingen 2006. Klik voor vergroting

Wat veel nouveaux maritimes pas ontdekken als ze een paar keer hebben geprobeerd hun onhandelbare gekloonde comfort-container aan te leggen in een drukke marina bij zoveel zijwind dat zelfs de boegschroef niet hielp, beseffen wijzere lieden, zoals Drascombe-eigenaren, reeds in een vroegere levensfase: less is more, als je het met een riempje, zonder godvers, langszij kunt wrikken. Wie beseft dat iedere extra meter lengte voor meer onderdeks ‘comfort’, onvermijdelijk gewicht en prijs in de derde macht doet toenemen –en de handelbaarheid evenredig reduceert, voelt Goethes ‘In die Beschränkung kennt man erst der Meister’ beter aan. De nestor van ons Nederlands Drascombewezen, dr Hertzberger, kocht zijn lugger bij de introductie van de Drascombes in 1968 op de London Boatshow. Hij is zijn boot inmiddels 40 jaar trouw gebleven wat zijn eerdere jachten nooit hebben gehaald. Gerard Ferrari die, als ik het goed heb, de eerste longboat Cruiser in Nederland bezat, ontwierp flinke motorjachten maar genoot zelf het meest in zijn drascombje.

Jan Maurits en Jacoba de Jonge, die hun eerste Drascombe Longboat ‘Chimera’ in 1974 kochten, besloten op zeker moment de Vanguard van Jacoba’s moeder over te nemen. Dat was een serieus stalen jacht van ruim 8m lengte en beloofde veel meer ruimte voor de drie opgroeiende –en Jan Maurits in lengte naar de kroon stekende- dochters. Na enkele seizoenen verkochten de De Jonges de boot en schaften zich weer een Drascombe aan, de coaster ‘Riddle of the Sands’. ‘In een Drascombe wéét je tenminste dat je je moet behelpen, maar in zo’n stalen bak moet nog steeds iedereen zijn benen in de nek leggen as er één naar de wc wil en ben je je dus weer aan het behelpen, maar met de nadelen van een grotere boot: minder handelbaar, meer diepgang, meer onderhoud etc. dan maar liever een echte kampeerboot, waarin je af en toe ook nog echt iets moet doen, zoals roeien en wrikken.’

Nu velerlei vergemakkelijkende trouvailles, zoals motoren, in-mastrolreefinstallaties, GPS, autopilot, diesel, electrische lieren, zeilen heben beroofd van de noodzaak je sportief uit te sloven, zodat het bijna net zo saai is geworden als motorbootvaren, hebben veel zeilers de diepere waarheid van prof. C. Northcote Parkinsons Perfection is death leren doorgronden.

Prognose voor de toekomst: zodra nouveaux maritimes hebben ervaren wat (zee)zeilen betekent zullen zij ofwel de boot ruilen voor een stacaravan op de Veluwe of gaan golven, ofwel ze worden gepakt door het zeilvirus en kopen een serieuze boot. Na enkele jaren zeven rijen dik vastknopen in te drukke havens en van zandbanken afslepen door te enthousiaste bergers, is de kans groot dat de ideale boot steeds kleiner en vlotgaander wordt.

Eens zullen alle blijvertjes een Drascombe willen hebben; hun onverkoopbare comfort-containers in horizonvervuilende marina’s zullen worden verwerkt in kunstriffen tegen de zeespiegelrijzing. Less is more, alles komt goed.

Hans Vandersmissen