In het kielzog van de "Firecrest"

Vijfenveertig jaar geleden verslond ik al puberend de uit 1927 daterende reisbeschrijving "Met mijn zeilboot de aardbol rond", van de Franse zeezeiler Alain Gerbault. Gerbault verschafte mij toen, in die voor mij donkere, saaie MULO-jaren van Duitse rijtjes, Franse gedichten, onregelmatige werkwoorden en voor mijn wiskundeknobbelloze hersens moeilijke vierkantsvergelijkingen, vele gelukkige uren. De passages over zijn zeilkotter "FIRECREST", voortgestuwd door de passaatwinden op de lange deining van de Stille Oceaan, langs witte zandstranden met koraalriffen en geankerd bij tropische eilanden met kokospalmen, waar werken spelen is, boeiden mij mateloos. Ja, dat groeide uit tot een heftig verlangen, een ideaal! Eens zou ook mijn zeilboot de aardbol omcirkelen.

Overigens voelde ik mij als klein jongetje al aangetrokken tot nautische avonturen. Reeds op een winderige, zonnige voorjaarsdag in 1949 op de kade van de Haringhaven in IJmuiden besloot ik als vijfjarige kleuter tot een toekomstig zeevarend bestaan. De aanblik van binnenlopende stoomtrawlers, ruig en roestend, zo van de Breeveertien, zwarte rookwolken en bassende stoomfluit. Getaande bezaan aan de hellende achtermast, krijsende zilvermeeuwen boven het dek, zeelui in vettige truien, zilte lucht. Ik weet niet precies wat er toen met mij gebeurde, maar ik voel mij sindsdien onlosmakelijk verbonden met alles betreffende bootjes, schepen en varen op zee. Kennelijk zat dat al in mijn genen, wellicht een soort afwijking, maar dan voor mij een erg prettige. Die afwijking heeft zich door het lezen van de beschrijving van de Franse wereldzeilreis alleen maar verhevigd.

Mijn ouders zagen deze ontwikkeling in mijn persoonlijkheid met lede ogen aan. Varen, op zee!? Dat is toch niks jongen! Niet zonder gevaar en altijd van huis. Daar kun je toch geen normaal bestaan, c.q. huwelijksleven op bouwen. Zij hoopten nog dat het wel zou overgaan, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en uiteindelijk kreeg ik toestemming om naar zee te gaan.

Vanaf 1960 vertoonde ik mij voor het eerst buiten de pieren van IJmuiden, in dienst van verschillende rederijen: Engeland, Afrika, Indonesië en uiteindelijk als stuurman van de Koninklijke Java-China Paketvaart Lijnen. Het zuidelijk halfrond en het Verre Oosten werden mijn vaste werkterreinen, inclusief de Stille Zuidzee. Oceanen, zeeën en eilanden die mij heel bekend voorkwamen, eens ook bevaren en bezocht door de torenkotter van Gerbault, wiens boek gedurende al die reizen, op al die schepen, in mijn hut op het boekenplankje prijkte.

Nu, bijna een halve eeuw en, ter wille van huwelijks- en gezinsomstandigheden een overstap naar de wereld van de luchtvaart verder Ėja inderdaad, mijn ouders hadden in zekere zin gelijk-, staat Alain Gerbaultsí boek nog steeds in mijn boekenkast, op een ereplaatsje tussen rijen andere zeilboeken. Ondanks de onscherpe zwart-wit fotoís, de enigszins gedateerde schrijfstijl en, naar mijn mening, de hier en daar niet ter zake van de zeilvaart deskundige vertaling vanuit het Frans, boeit het verhaal mij nog steeds. Het uit 1958 stammende ideaal, de aardbol rond in mijn eigen zeilboot, is intussen niet verwezenlijkt en dat hoeft voor mij, na talloze wereldwijde zee- en luchtreizen, ook eigenlijk niet meer zo nodig. Maar die verbondenheid, die drang om de roep van de zee te beantwoorden bleef....

Tijdens de stuurmansopleiding op de Hogere Zeevaartschool in Den Helder was ik geen uitblinker, eerlijk gezegd had ik vaak moeite met die veelal op hogere wiskunde gebaseerde theorielessen, lange, lange studieuren waren mijn lot. Maar het uiteindelijke doel riep en lonkte, en dat hielp. De praktijklessen bestonden naast knopen en splitsen, uit het omgaan met een paar oude roei-zeilsloepen. Deze lessen gingen mij wonderlijk goed af. Daarvoor had ik nog nooit echt gezeild, maar in de Helderse haven bleek ik dit lesonderdeel van nature gewoon in de vingers te hebben. Zeilen, op vleugels van de wind, als onderdeel van het natuurkundige krachtenspel tussen opwaartse- en laterale krachten tegen de schijnbare wind - ik kan het nog steeds niet goed onder woorden brengen - maar dat genereert ergens binnen in mij zoiets als puur genot.

Een reisje in mijn 22 voets yawl-getuigde Drascombe Cruiser Longboat Ėeen wel erg lange typeaanduiding voor 6,7 meter- "ICHTHUS", verschaft mij erg veel plezier en voldoening. Het aan boord zijn, being afloat, ít liefst op zee, beantwoordt de roep vanuit mijn genen op een of andere manier, het maakt mij dankbaar, blij en mateloos gelukkig.

Zeelui hebben over het algemeen de neiging tot fabuleren, het verzinnen en vertellen van onwaarschijnlijke verhalen, dat geldt ook ín beetje voor mij.


In 1962, in de grijs ge-tjette Helderse zeilsloep zag ik voorbij de gekreukelde katoenen fok soms een Franse kotter achter de kim verdwijnen. Tijdens de lange, eenzame oceaanwachten van de zestiger jaren, wanneer de zonís hoogtelijn in de kaart stond, het meteojournaal was ingevuld en er niets restte dan met een blij gemoed en met de blik op oneindig uitkijk te houden, dan meende ik soms over het door de tropenzon gebleekte teakhouten potdeksel van de brugvleugel een meeliggende leptosome kotter aan de heiige horizon te zien, loom slingerend op de lange deining. Totdat de Chinese kwartiermeester mij terug riep in de werkelijkheid met: "Say Foh, see wa:tah, sah!". Tijd om de zeewatertemperatuur op te nemen.

In 2004, zeilend in mijn Longboat op het Braassemer Meer, naar voren starend vanuit de lage kant van de kuip naar het deel van de kim dat tussen de zeeg van het blank gelakte teakhouten potdeksel van de verschansing en het onderlijk van de rolgenua zichtbaar is, verbeeld ik mij dat het rode pannendak van een boerderij achter de wilgen het "Posthuys" op Vlieland is. De dubbele kerktoren van Roelofarendsveen lijkt vanuit de verte sprekend op het stadhuis van Oslo, gezien vanuit de fjord. En de basaltkeien van de ringvormige oeververdediging rond het recreatiegebied "De Hemmen" vormen voor mijn geestesoog het koraalrif van de atol van Bora Bora, ten noordwesten van Tahiti, in de Iles de la Société.

Wanneer wij de sluis van Den Oever, alsmede de draaibrug in de Afsluitdijk achter ons laten en de Waddenzee opvaren, schiet het vaak door mijn gedachten dat feitelijk alle wereldzeeën voor ons open liggen, inclusief het vaargebied van de "FIRECREST", zonder tussenbeide komende brug- of sluiswachters. Een inspirerende gedachte, althans voor mij. Toch heb ik tegelijkertijd als simpele zeiler ontdekt dat zeilreisjes op gewoon binnenwater, in een schuitje van 22 voet, geheel afhankelijk van de wind, minstens zo veel genoegen kunnen opleveren en zelfs onverwachte ontmoetingen met een Franse zeiler.

De eerste week van september lijkt het dit jaar toch nog even zomer te worden. Tijdens een nachtelijke solo-zeiltocht in mijn yawl vanuit de verenigingshaven "ít Venegat" in Rijnsaterwoude, over een verlaten, maar winderige Braassem naar een ankerplaatsje op de oude veenrivier de Wijde Aa, trek ik parallellen met Gerbaultís oversteken. De donkerende hemelsfeer kleurt in het Westen nog oranjerood. Gerbault zeilde van Oost naar West en moet dus vaak deze plaatselijke verkleuring van de dampkring hebben gadegeslagen, starend langs stagfok en kluiver, op weg naar zijn volgende onbekende bestemming, de zon achterna. A la poursuite du soleil.


Zo nu en dan licht een golf op in het schijnsel van het petroleum heklicht, de witte bakboordsfokkeschoot kleurt ter plaatse rood door het dito boordlicht. Zou de "FIRECREST" eigenlijk wel navigatieverlichting hebben aangehad, daar op die eenzame trajecten? In het Paddegat lopen ons behoorlijke rollers achterop. Noordoost vijf! In het donker lijkt het meestal erger. Dit is soms een naar stukje vaarwater. Draaiwinden nog versterkt door het venturi-effect tussen de hoge begroeiing aan beide zijden. ín Paar jaar geleden heb ik daar de kuip al eens volgezeild, eigen schuld natuurlijk, niet snel genoeg de schoten gevierd. En met de F.J. zijn we daar op klaarlichte dag eens omgegaan.

Op de Wijde Aa is het echt donker, de maan is nog niet op. Het plan om te ankeren ter hoogte van de 16e eeuwse kloosterboerderij laat ik voor wat het is. Halverwege aan de zuidzijde is een mooie baai om de nacht door te brengen. Na het inrollen van de fok, een opschieter in de wind en het vastmaken van het grootzeil - de druil blijft doorgehaald staan - wordt de helmstok midscheeps vastgezet met het stuurtouwtje. Zodra we deinzen gaat de Danforth met 10 meter ketting en een aantal meters nylon over boord. Tjonge wat een wind! Meestal wordt het ís nachts toch rustiger? De longboat tornt op in de tros en komt vervolgens tot rust. De Chinese imitatie van de Feuerhand stormlantaarn blijkt in de nautische praktijk niet bestand tegen zoveel wind, hij waait gewoon uit. Dat was met zín inmiddels zwaar verroeste voorganger - nog een echte! - wel beter. Terug in de kuip een biertje voor het slapen gaan, ten behoeve van de lichamelijke vochthuishouding. Kraag op, waar is mijn wollen zeilmuts toch? Er komt veel inkomend vliegverkeer over, zo te zien Europa vluchten, in de approach van de landingsbaan 06, 060 graden aanvliegkoers. Zij draaien allemaal keurig, juist onder de Grote Beer door.

Om 23.00 uur de slaapzak uitgerold en te kooi, het self inflating matrasje boven op het 23 jaar oude, aan decubitis lijdende, kooimatras werkt zeer bevorderend voor een goede nachtrust. Zo liggend in de donkere hut en starend door de kajuitopening zie ik de oude vertrouwde Arcturus helder blinken. Hoe vaak zal ik haar niet in het vizier hebben gehad bij een azimuthpeiling, of bij een stersbestek? Arcturus blijft steady in de opening zichtbaar, dankzij de nog bijstaande druil. ICHTHUS ligt muurvast achter haar anker, recht in de wind. Golven breken tegen haar boeg. Slaapverwekkend! Hoe vaak zal Alain Gerbault zo te kooi hebben gelegen in de hut van zijn ten anker liggende FIRECREST, mijmerend over de belevenissen gedurende zijn reis tot dan toe en over de bestemmingen waar de wind hem nog zou brengen.

ICHTHUS deint, de papegaaistok kreunt wanneer de wind via de druil de gierneiging van de boot corrigeert. Boven het geraas van de wind en de golven klinkt er inmiddels een hinderlijk getik in de boot. Het valt niet mee de bron te traceren. Het schijnt uit de zelfgemaakte teakhouten maststut te komen die onderdeks in de hut de neerwaartse krachten van de mastvoet overbrengt op de kielbalk. Uiteindelijk blijkt het stokje van de clubwimpel boven in de hoofdmast tegen het topbeslag te tikken door de wind. Nu de oorzaak bekend is slaapt het ín stuk beter. Om 02.00 uur word ik wakker omdat het windgeraas plotseling afneemt en het getik verstomt. Ankerpeiling genomen, we liggen nog perfect, inderdaad er rest nog een Noordoost 4 of 3. In het Oosten neem ik met mín slaperige hoofd een affakkeling van de petrochemische industrie waar, maar zoiets is daar toch helemaal niet?! Het blijkt de juist opgekomen maan te zijn die met het restant van haar laatste kwartier juist boven een solitaire wilg uitkomt. De aardse refractie geeft de geelrode sikkel een reusachtige afmeting. Arcturus is onder de kim verdwenen, Ursa Major staat in het Noorden en Cassiopea nu recht boven de kuip. Cassiopea, die naam droeg het Franse marinevaartuig dat bij Samoa assisteerde bij de vervanging van de verloren gegane loden kiel van de FIRECREST. Terug in de warme zak.
Om 06.00 uur een sanitaire stop en om 07.30 uur schijnt het zonnetje alweer door de stuurboords poort in de hut. De hemel is strak blauw, aan dek is alles drijfnat. Eerst maar eens enige dweilactiviteiten, de zon doet de rest. Ketel op de brander, toiletteren en ontbijt in de frisse buitenlucht.

Na het oprollen en stuwen van de slaapzak en het opruimen van het ontbijtgerei wordt er water opgezet voor de koffie en de boot zeilklaar gemaakt. Het opruimen van de kuip. Het ophaalbare spaderoer wordt in zijn bun neergelaten, de helmstok vast aan bakboord om straks even deinzend als het anker uitgebroken is over die zijde vol te vallen. Naar verwachting zal de winddruk op de boeg en de kajuitopbouw de kop naar dezelfde kant duwen. Het midzwaard wordt uitgevierd. De ankerbal weggenomen en de tros met de hand ingepalmd. Spoedig komt de ketting boven water.


Tijdens het inhieuwen moet ik onwillekeurig denken aan het in mijn favoriete boek beschreven ankerop gaan van de FIRECREST in een zeeëngte tussen bedreigende koraalriffen. Gerbault hieuwde zijn stokanker in tot de schacht boven water kwam en liet het daar voorlopig even hangen om in de beperkte ruimte met zeilen en roer te manoeuvreren. Tijdens het uitzeilen bedacht hij dat het binnenhalen van het anker toch eigenlijk wel vrij makkelijk was verlopen. Hij spurtte naar voren en constateerde dat beide handen van zijn enige anker waren afgebroken. Geen prettige situatie in een gebied waar onbeperkte ankerplaatsen, maar nauwelijks afmeer mogelijkheden zijn.

Gelukkig komt mijn ankertje ongehavend boven, na borging op het potdeksel vlug naar de kuip. Rolfok uit, druil wat ruimer en daar zeilen we alweer! Grootzeilseizings los en omhoog. Onmiddellijk begint de boot te bruisen. Helmstok iets naar loef en vastzetten met het touwtje.
Opkruisen terug naar het Paddegat. Noordoost 4 schat ik. Heerlijk zeilwindje. Koffie uit de thermosfles, grootschoot op de hand, ICHTHUS briest er vrolijk doorheen, wat is het leven mooi! In het nauwste stuk van het Paddegat moeten tijdens het overstag gaan de riemen nog even in de dollen teneinde de draaiwinden in de slipstream van enkele elzenbomen te neutraliseren. Ter hoogte van de voor mij imaginaire Atol van Bora Bora, die op de kaart in gewoon Zuid Hollands staat aangeduid als "Recreatiegebied De Hemmen", krijgt de noordooster weer goed vat op ons. Zo goed zelfs dat ik al gauw een rif in het grootzeil trek. Grootzeil even aan dek laten zakken. De Longboat zeilt rustig en geheel in balans door onder fok en druil. Halshoek opnieuw ingepikt. Traveller op het uiteinde van de giek vieren. De reefkous in het achterlijk wordt de nieuwe schoothoek. Zeil omhoog en daar gaat ie weer, terug op rompsnelheid. Twee minuten werk! Het vastmaken van de knutteltjes kan later. De boot zeilt nu veel meer rechtop. Daar is de Braassem weer, terug in de ruimte, lange slagen aan de wind, behalve een vissertje niemand te zien.

De zon heeft inmiddels aan kracht gewonnen. De droge lucht is helder. Door de geringe ooghoogte van slechts een meter is vanuit de kuip de bolvorm van de aarde goed waarneembaar. De steigers van de jachthaven van Oude Wetering liggen op een mijl afstand kennelijk onder de kim.
Gisteravond tijdens het begin van deze reis Ėwas dat gisteravond?- waren ze er nog. Na een uur van opkruisen laten wij ons vanuit de noordoost hoek van het meer afzakken naar de havenmond van "ít Venegat".

De activiteiten gepaard aan het binnenlopen brengen altijd weer enige spanning met zich mee. De ruwe basaltblokken van de oeverbescherming zijn uiteindelijk geen partij voor ICHTHUSí dunne huidje.

De druil ingenomen. Het grootzeil naar beneden en vastmaken. Op de fok lopen wij tussen de rode en groene havenlichten door. Fok ingerold. Riemen in de dollen, met de helmstok schuivend op het stuurtouwtje roeien wij naar de steiger. Juist daar -vanuit mijn rechter ooghoek zie ik hem komen- passeert ons een uitgaand zeiljacht. Ik laat de riemen rusten en kijk peinzend naar de Tricolore die uitwaait boven het kielzog van de zwartgeverfde kotter. Mijn boot loopt met de zelfgebreide kopleguaan tegen de passantensteiger en brengt mij terug in de werkelijkheid.
Was dat het kielzog van de FIRECREST?

Jan Best,
schipper van ICHTHUS

Naschrift redaktie: Een verkorte versie van dit verhaal is gepubliceerd in het maandblad "Zeilen" van juni 2005