Doop

"Kijk, Marry, een kruipende mossel, zie je dat!" Marry zag een bruingrijze schelp en een groefje in het zand. "Een mossel, wat is dat?" Minne keek haar aan. "Een mossel, goh, weet je wel, zo’n schelp die je kunt eten, heb jij dan nooit mosselen gegeten? Kijk, dat is de schelp, en de schelp kan lopen." Marry’s voeten stonden in het harde, leemkleurige zand. Heel zachtjes spoelde er af en toe een klein golfje water overheen. Dan stonden haar voeten onder, waren ze bedekt, net zoals de mossel, die even van haar af, waar het al weer ietsjes dieper was, net op dat moment met een sprongetje weer wat vooruit schoof. Hij leek zo hard als een steen. Hoe kon je dat nou eten? Hij was te groot om in je mond te doen. Misschien moest je er wel lang op zuigen, zoals een lolly. Hoe lang was hij al aan het kruipen? Recht vooruit ging hij niet, het spoor liep in een boogje. "Hoe doet-ie dat?" vroeg Marry, "leeft hij dan? Ik wist niet dat schelpen leefden." "Nee, niet alle schelpen leven, maar sommige wel", wist Minne. "De meeste zijn dood, en die ga je dan zoeken op het strand. Maar de levende schelpen kun je eten, dat kunnen hele grote zijn hoor, heb jij dan ook nog nooit Sint Jacobs schelpen gegeten?" Hij pakte een stokje en trok een spoor in het zand, maar ze liet zich niet voor de gek houden.

Zijn moeder riep en vroeg wie er een appeltje wilde. Minne draaide zich om en liep terug naar de boot. Zijn voeten verdwenen, en toen zijn knieën. Zijn zwembroek wandelde over het water. Met de stok maakte hij kapbewegingen zoals Willie Wonka in de jungle toen hij de oempa loempa’s ontdekte. Op zoek naar de nieuwste smaken voor zijn eigen snoepfabriek ving hij vliegebeesten in zijn netje. Hij klom aan boord en riep haar. "Ik kom eraan!" Ze hield niet van appels. Wel van stroopwafels, chips, of autodrop. Voorzichtig liep ze terug, om niet op een mossel te trappen of een andere Levende Schelp. Ze keek naar de trillende vleugels van een grote vlieg die ontsnapt was aan het net van Willie Wonka. Soms leek hij stil te hangen in de lucht, dan weer danste hij over het water, zijn blauwgroene lichaam glanzend. Ze deed haar zonnebril af, om beter te zien hoe het beestje in de schaduw van de groene takken vloog die vanuit de kant een dakje vormden boven het water. He, dat was grappig, er kwam er nog eentje aangevlogen en samen vormden ze een torentje.

Waar kon ze haar bril nou toch laten. De hoes lag in haar groene tasje, in de boot, tussen blauwe kussens met een wit touw eromheen, andere touwen, flessen prik, een verrekijker, een fotocamera, kaarten, een open pak koekjes waarvan het chocoladelaagje ‘s ochtends al gesmolten was, druiven, appels en ander eten, plastic trommels en een paar boeken. Minne had gezegd dat je met twee grote mensen in het kleine huisje kon slapen en dat ze ’s nachts een tent over de rest legden waar Minne en zijn zusje sliepen, maar Marry was er niet zeker van of dit een oempa loempa verhaal was. Nu hield ze haar bril in de hand. Papa had hem speciaal voor haar meegenomen uit Italië. Het hele montuur leek wel een mozaïek, met gekleurde stukjes, paars, zilver, de mooiste kleuren groen en blauw. Ze had hem opgezet en was naar de badkamer gerend, maar door de donkere glazen kon ze in de spiegel niet zien hoe mooi de kleuren glansden. Ze had hem weer afgenomen, toen haar vader achter haar kwam staan en zijn handen op haar schouders legde. Ze keek naar zijn ogen in de spiegel, zijn blauwe ogen, die naar haar keken, naar haar eigen ogen. Een woordenloos ogenblik was ze nergens, hing ze in de lucht en wist ze niet welke ogen ze nu eigenlijk zag in de spiegel.

Ze deed haar bril weer op en klom aan boord, want Minne’ s moeder zei kom, we gaan weer verder. Minne’s vader trok langzaam aan het touw waar het anker aan vast zat, en de boot ging weer bewegen. Jek, wat was dat anker smerig zeg, allemaal modder! "Jij wil het zeker zo wel even afspoelen hè Marry?" grapte de vader. Ze trok haar knieën op en keek schuin omhoog om nee te schudden. "Laten jullie het zwaard even zakken?" vroeg de vader. Het zwaard! Marry had toch nergens in dat huisje een zwaard gezien. De vader zag haar grote ogen en legde uit dat hun schip een Drascombe was en een zwaard in het midden had, maar dat maakte het niet veel duidelijker.

Die ochtend was ze opgehaald voor haar eerste zeiltochtje, in de Biesbosch.. Minne had veel verteld over de boot met twee masten die ze zelf in en uit het water konden halen, en toen ze die week daarvoor pannenkoeken was komen eten had zijn moeder gezegd, wil je niet eens mee? Ze had klaar gestaan met haar groene tasje en een zwemtas, een lange vlecht in het haar. Ze hadden gezwommen, gegeten, gesnoept en gedronken, en nu gingen ze terug naar de haven. Vanavond was ze weer thuis.

Minne zei dat ze moest helpen om aan een touw te trekken. "Je moet het tegenhouden," zei hij, "kijk dat is zwaar hoor, jij houdt het tegen en dan laat ik het een beetje zakken." Marry zat vol vragen over dit onzichtbare zwaard dat meer woog dan het modderige anker en vast zat aan een touw dat steeds korter werd. Misschien was het nodig om het schip te verdedigen tegen echt grote mossels, of waterslangen, of zaagvissen. Toen ze klein was had papa haar voorgelezen uit het piratenboekje. De piraten waren voor niets en niemand bang, niet voor de reuzenoctopus, niet voor de walvis, niet voor haaien, niet voor andere piraten, maar als de zaagvis eraan kwam werden ze geel van schrik, want dan werd hun schip in tweeën gezaagd! Giechelend was ze de golven van haar dekbed ingedoken terwijl papa haar bed doorzaagde. Handig dat de boot een zwaard had dus.

Minne hing over de rand van de boot heen met zijn handen in het water. Lekker koel. Ze ging naast hem zitten en hing ook over de rand. Haar handen veilig binnenboord. Ze staarde in het modderkleurige water en kon niets zien. Geen plant, geen bodem, geen mossel, geen zaag. Geen glibberige kronkel van een waterslang, die ze zich groen en goudgevlekt voorstelde.

In een oogwenk was het gebeurd. Ze huilde, voordat ze iets kon zeggen. Die tranen kon ze niet tegen houden. Net nog zat hij boven op haar hoofd, en opeens was hij, voor haar ogen, en te laat voor haar handen die ergens bij haar knieën lagen, in het water verdwenen. Ongrijpbaar verloren, haar liefste zonnebril. "Papa, omdraaien!" riep Minne. Maar de vader zei wat ze ook wel wist, dat dit zinloos was. Ze voeren te hard, en wisten niet waar de bril gevallen was. Hij was verdwenen.

Marry ging zitten, met haar rug tegen het huisje, en liet zich troosten met chips en een knuffel van Minne’s moeder. Ze waren de kreken uitgevaren. Het water was hier wijder, en ze zag talloze bootjes. Langs de achterkant van de boot zag het water blauw en kon ze tot de horizon kijken. Eigenlijk hoefde ze nog niet terug naar de haven.

Aleid Fokkema, januari 2006.