Déjà vu

Het zal acht-, negenenvijftig zijn geweest, het was niet mijn eerste boot, dat was een bovenmaatse zeilkano. Die kocht ik in Alkmaar, had mijn oudere broer meegenomen, want die was timmerman, dus had er verstand van. Een twaalf voets jol, overnaads, met veel verf erop waardoor je niet zo goed zag dat het een wrak was, maar dat was het. Hij hing achter een beurtschip dat twee keer per week op Amsterdam voer en afmeerde bij de vismarkt. Vlakbij de havensleepdienst van de Gebr. Goedkoop waar m’n vader werkte. Met een vriend haalde ik hem op en zeilend gingen we over het IJ, richting Bovendiep.

‘Levensgevaarlijk’ vond de Politie te Water die ons bij invallende duisternis - natuurlijk geen navigatielichten - oppikte en afleverde bij de Sixhaven. Een paar dagen later kreeg het avontuur een vervolg, maar de tijd heeft dat enigszins uitgewist, ik weet er niets meer van.

Toch moet het spannend zijn geweest want vanuit het IJ moesten we het Amsterdam-Rijnkanaal op en hebben we kans gezien om bij een van de jachthavens aan het Bovendiep te komen, een plasje dat doorsneden werd door het ook toen al drukke kanaal.

De eerst komende zondag ging ik alleen om het avontuur verder te proeven. Met mijn zeilkano had ik de meest elementaire vaardigheden onder de knie gekregen en nog wat later, ik was denk ik zestien, compenseerde ik de krenking als de enige jongen bij Zwemschool Oost die geen verkering had (dat dacht ik althans) met het feit dat ik in de Sharpie mocht sturen terwijl de twee vrienden met hun scharrel andere vaardigheden oefenden.

Ik kan nog de zon en de wind voelen op die zondag dat ik verder zou gaan met m’n eigen boot. De typische lucht in zo’n jachthaven in een tijd dat je al spekkoper was als je een Berini had, laat staan een twaalf voets jol. Ik bracht de boot naar de buitensteiger, legde hem vast, hees het enige zeil en zette de val goed door en daarna vast. Repeteerde alles nog even voordat ik de landvast los maakte, de wind in het zeil viel en op een vlaag de boot naar voren schoot en met een luid gekraak de mast naar beneden kwam.

Vanaf de wal moet het eruit gezien hebben als een stervende zwaan. De hoeveelheid zeil, schoten, vallen en landvasten leek verdriedubbeld en het kostte moeite mij te bevrijden en weer zicht te krijgen op de wereld om mij heen. Er waren gelukkig geen mensen aan de wal zodat mijn schaamte onopgemerkt bleef.

Vooral toen helder werd dat de mast van een twaalfvoets jol gestaagd wordt door de val op de punt vast te zetten in plaats van op de nagelbank aan de voet van de mast. De boot kwam aan de wal en mijn broer ging de volgende keer mee om de schade in ogenschouw te nemen.

Om kort te gaan, het is nooit meer wat geworden met dat bootje. Op de wal trokken binnen enkele dagen kieren langs het overnaads gebint en wat eerst mijn trots was werd al gauw te gênant om over te praten. De tijd is genadig en het geheugen kan er ook wat van, ik denk dat m’n broer nog wel wat getimmerd heeft, maar er viel niet tegen op te timmeren en hoe het is afgelopen weet ik niet meer. De jol heeft geen aanlegplaats meer in mijn geheugen.

Nu, zo’n achtenveertig jaar later is er, wat zeilen betreft, nog niet zoveel veranderd. Dat is misschien wat overdreven, maar er blijven dingen in mijn leven die mij op de proef stellen en daar is zeilen er een van.

Toen ik vanochtend rond half elf de Aanloophaven in Huizen verliet, leek het de eerste dag van het jaar dat alles klopte. De wind, de zon, temperatuur, voor het eerst zonder handschoenen, fleece muts en zeilpak. Het was van dat weer dat je hoog aan de wind niet aan het zwoegen bent, maar er lekker doorheen schuift. De Dras is nog maar kort in mijn bezit dus alles is nog nieuw. Net als toen ik ging motorrijden merk ik dat ik scherper moet zijn dan gewoon. Als ik vergeet koffie te zetten thuis of op het werk, dan haal ik die schade rustig in. Laat liggen wat ik doe en zet koffie. Op de boot is dat anders. Bijliggen, ja mooi hoor, maar hoe was dat ook weer? Zo gaat het nog elke keer, ik leer veel, maar er komt ook elke keer veel bij.

Met deze overdenkingen ben ik intussen de vaargeul voor Huizen gepasseerd en uit de luwte van de hoogbouw komen er wat vlagen. Even opletten, grootschoot in de hand en als ze wil dollen loef ik wat op. Ik heb het vandaag erg met mezelf getroffen. Bij de volgende vlaag wordt er even flink getrokken en als ik weer wat opstuur knalt in een keer de mast overboord.

Ik kan wel janken, maar dat schiet niet op. De mastvoet is op drie plaatsen met schroef en al uit het kajuitdak gerukt, gedraaid, waardoor ik de mast niet aan boord kan krijgen. Hij steekt schuin over bakboord in een hoek van 45 graden in het water. Ik zit tegen de vaargeul aan dus m’n eerste zorg is om daar wat van weg te komen. Ik ga voor anker en probeer nog eens om de mast aan boord te krijgen, no way! Nadat de gaffel langszij is getrokken en is opgebonden start ik de motor en langzaam werk ik mij naar de havenmond. De basaltdijk ligt aan lager wal en het is lastig sturen met de mast en het zeil bijna dwars op het schip, maar het lukt. In de Gemeentehaven moet ik aan stuurboord afmeren vanwege de ballast aan bakboord, maar gelukkig zijn hier wel mensen aan de wal, waaronder Peter Kos, de alleskunner van Drascombe Nederland. Een half uur later is alles netjes opgebonden en is de ravage weer te overzien.

Als ik Peter later spreek in de werkplaats heeft hij zijn hoofd al laten gaan over hoe het kon gebeuren. Zijn uitleg klinkt plausibel. De wandspanner is geborgd met een borg ringetje, het uiteinde steekt buiten het rondje. Als het gangboord al vol is met twee riemen, dan heeft de fokkeschoot weinig ruimte en schavielt langs de wandspanner. Het zachte katoen van de fokkeschoot is dan snel het materiaal waar het uitstekende deel van het borgje aan blijft hangen. Als ie goed vastzit trek je hem er met je schoot zo uit. Geloof het of niet, Peter inspecteerde de kant van de losgeschoten spanner die nog vast zat. Mooi niet, ook daar was het ringetje eruit.

Ik neig, net als in 1959, tot schaamtevolle bespiegelingen, maar Peter is daar resoluut in. ‘Domme pech, anders niet’, is zijn repliek en hij vertelt mij een verhaal waar hij nu nog rooie konen van krijgt. Het doet mij denken aan een collega die naar aanleiding van een professionele misser had opgemerkt dat iedere huisarts een eigen kerkhofje heeft van mislukte gevallen.

Michel Maartens heb ik later nog aan de telefoon en nadat hij zijn kerkhofje aan mij heeft toevertrouwd komt hij met de verlossende woorden ‘het valt wel mee hoor, met mij was toen veel erger’.

Ik blijf lid, al was het maar om op mijn leeftijd tegen mijn kleinkinderen te kunnen zeggen, ‘opa maakt ook wel eens een foutje!’

Nico Brandjes
Coaster Evgenia