De columns van Ton Wegman, Jon Brakelé en Tom Colville




James Caird in Scotland

After reading Jon Brakele's story about the James Caird, in BaD 97, I thought you might like some photos to add.

The original James Caird is in the National Maritime Museum in Greenwich but the replica, called Sir Ernest Shackleton (used on the re-enactment of the Shackleton rescue trip in 1994) is moored at Kilchoan, at the end of Loch Sunart on Ardnamurchan. Trevor Potts, who is a very experienced explorer type lives there. He made the first recorded crossing of the Bering strait from Alaska to Siberia in a sea kayak, has been a member of the British Antarctic Survey, and also organised the re-enactment of the Shackleton trip from Elephant Island to South Georgia, in 1999. He keeps the replica of the Sir James Caird at Kilchoan, but I have yet to meet up with him.

I took the photos yesterday when we visited Kilchoan, by car. I did not have a boat to get close. But if Jon, or anyone else, would like more photos I will try to get afloat and closer next time I am there.

I don't imagine that she sails very well to windward. Certainly it is amazing to think that so many men managed to sail so far in such a small space, and in such huge seas. My Coaster Whisper is longer than the Caird/Shackleton!

Jon would want to know that Sir James Caird was a very rich mill owner who had his factories in Dundee, Scotland. His business was the making of Jute sackcloth. Later the factories were taken over and converted to making carpets. They were bought out by Beaulieu Tapis based in Wielsbeke and Waregem (the Belgian Carpet giant) in 1981. (I worked as transport manager there in Dundee in ‘82-’83). Caird was one of the richest men in the UK at the time that Shackleton was seeking backers for his trip in 1910, and put up a very large part of the cost of the expedition. If you go to Dundee there is a Caird Library, Caird Hall... Caird this and that. He still has scholarships named after him for students etcetera.

Happy Days from Scotland,
Tom Colville
Whisper of Sunart

De replica van the Sir James Caird. Klik voor vergroting


James Caird

Ik heb nooit kunnen ontdekken wie James Caird was. Maar er is een boot naar hem genoemd, een open werkboot van twintig voet die bekendheid kreeg toen Ernst Shackleton er in 1914 800 mijl mee over de zuidelijke poolzee zeilde om hulp te zoeken voor zijn gestrande bemanning. Het relaas van die tocht (rode oortjeslectuur, als het niet zo ijzingwekkend geweest was) behoort tot de beste zeeverhalen die ik ken. Laatst kreeg ik het verslag van Sir Ernest zelf nog eens onder ogen. (Ik weet niet of zijn vijf metgezellen óók een lintje hebben gekregen - ze verdienden het zeker). Telkens als ik het verhaal lees voel ik opnieuw verbazing en bewondering voor wat mensen (én boten) verdragen kunnen.

Om het scheepje, dat door ijsgang al beschadigd was, zeewaardiger te maken was er een canvas 'dek' op gezet dat zo lek als een mandje bleek te zijn. Daaronder lagen de mannen in hun natte slaapzakken op keien (!) die als ballast fungeerden. Er moest voortdurend gehoosd worden. Sneeuwstormen, monstergolven, ijsafzetting, gebrek aan drinkwater, het drijfanker dat verloren ging; Allistair McLean had het niet erger kunnen bedenken. Zestien dagen (en nachten!) duurde de barre tocht van Elephantseiland, ten zuiden van kaap Hoorn, naar Zuid Georgië, ten oosten van de Falklandeilanden. Door de stormachtige zee en het zware wolkendek was navigatie niet eenvoudig. Toen Zuid Georgië ten slotte bereikt werd bleek het nog een helse toer om tussen de riffen door een veilige aanlegplaats te vinden aan de door stormen geteisterde rotskust.

Mijn vrouw roept bij dit soort verhalen altijd: "Ze kregen mijn schoen nog niet mee!". Ze bezit er een ruime sortering van (schoenen bedoel ik). Maar zelf zou ik ook niet staan te trappelen. Niettemin nuttige lectuur voor wie een enkele keer mocht denken dat varen in een Drascombe afzien betekent'

Jon Brakelé

De replica van the Sir James Caird. Klik voor vergroting


Het gebeurt altijd onverwacht

Tweede Pinksterdag, half twaalf. Na het onweer van gisteren is de lucht opgeklaard. Wind: zuidwest vier. Mooier zeilweer kun je je nauwelijks voorstellen. We, mijn zoon en ik, hebben de kleinkinderen aan boord: Roeland van zes en Sara van ruim drie jaar. Om ze geen schrik aan te jagen zijn we kalm begonnen. Met alleen fok en bezaan lopen we nog altijd een aardig gangetje terwijl de boot nauwelijks overhelt. Van angst is bij de kinderen trouwens geen sprake. Ze zitten op hun knieën aan lij en laten de handen door het water slieren. Ik 'zit erbij en ik kijk er naar'. Als het aan mij lag zouden ze op hun billen zitten. Maar het moet wel leuk blijven en ik wil geen overbezorgde ouwe zeur zijn. Ik hou dus m'n mond.

Daar krijg ik veel spijt van als Sara overboord rolt. Het ene ogenblik zit ze nog onder handbereik, het volgende moment is ze verdwenen, zo snel en onverwacht dat ik het eerst niet geloof. Dit kán niet waar zijn. Bij ons vertrek had ik, een beetje lacherig, gevraagd wie van ons tweeën springen zou in geval van nood. " Dat doe ik wel', had de zoon gezegd. Voordat ik hem aan die belofte houden kan ligt hij al in het water. Het schip zeilt door alsof er niets gebeurd is, maar met een gehalveerde bemanning.. Dan begint Roeland snerpend te gillen. In een eerste opwelling rol ik de fok op en gooi het bezaantje los. Verkeerd natuurlijk. Ik had moeten opdraaien en de bezaan juist strak trekken. Waarom heb ik die manoeuvre nooit geoefend met deze boot? "Niks aan de hand hoor', roep ik, in strijd met de feiten, tegen Roeland die nog steeds loeit als een sirene.

Ik klap de motor omlaag en ruk aan het startkoord. Gelukkig pakt hij meteen, de braverik. Maar we zijn flink afgedreven. Tientallen meters achter ons dobberen twéé hoofden. Goddank zijn ze er nog allebei! "Niks aan de hand', roep ik weer. Andere schepen draaien onze kant uit. Maar wij bereiken de drenkelingen het eerst. Aan haar zwemvest trek ik Sara omhoog. Ze is flink geschrokken maar lijkt verder niets te mankeren. Daarna help ik de zoon aan boord die stijf van de kou is en van schrik. Op weg naar een warme douche en droge kleren realiseer ik me pas goed hoe erg het mis het had kunnen gaan. En het gebeurt altijd onverwacht.

Jon Brakelé

Naschrift:




Schuin


Rosa Drascombia

Wij hebben een Drascombe in de tuin. Dat is weer eens iets anders dan de tuinkabouters, zonnewijzers of betonnen honden waarmee sommige mensen hun horizon vervuilen, en hij trekt zeker zoveel bekijks. Terecht, wat is er prettiger om naar te kijken dan een goedgevormd schip? Nou ja, ik weet nog wel een paar dingen die óók de moeite waard zijn maar hier onbesproken moeten blijven. Ons tuintje is er in elk geval duidelijk op vooruit gegaan. Want ik ben geen tuinmens en laat de zaak het liefst verloederen. Maar nu is, tussen weegbree en paardebloem, iets móóis opgebloeid: een Drascombe met de toepasselijke naam Rosebud ....

Kritisch ingestelde NKDE-ers - en dat zijn de meeste - zullen misschien vragen of een Drascombe in het water niet beter tot haar recht komt dan in de tuin; of een opgezette mammoet, een kopie van een maanlander, of de buste van Harry Mulisch niet eerder in aanmerking zou komen om indruk op de buren te maken. Het antwoord is: inderdaad, afgezien van het borstbeeld misschien. Maar zij - de Drascombe - staat daar niet alleen om te imponeren maar in de eerste plaats omdat er aan gewerkt moet worden.

Het potdeksel is één en al schilferigheid. En ook de mast was hard aan een beurtje toe. Verder moet het onderwaterschip behandeld worden met een substantie die geen koper maar, naar de prijs te oordelen, zuiver goud schijnt te bevatten. Ik moet er, kortom, krom voor liggen maar doe dat met plezier. Als ik dan even uithijg tegen het tuinhekje komt er steevast iemand vragen wat voor een schip dit is - de naam moet meestal tweenmaal herhaald worden - en hoe het zeilt - waarna ik helemáál nooit uitgesproken raak. Ik doe dus op ruime schaal aan P.R.; belangeloos; ( Hoewel een klein gebaar van de importeur nooit weg zou zijn; een potje antifouling bijvoorbeeld? Maar daar zal ik niet om zeuren. Dit schip verkoopt zich immers zélf.)

Wij hebben een Drascombe in de tuin. Het doet een beetje denken aan een tekst van drs P.:

"Er ligt een juffrouw in het trapportaal"

Of aan Han Hoekstra die, meer hooggestemd, dichtte:

"Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, ge schijnt het niet te willen
... "

Maar, of je nu wilt of niet, dit schip is, net als de juffrouw in het trapportaal moeilijk te negeren. Het staat er pront te wezen als een stokroos tussen de onkruiden. En ik, ik voel me bevóórrecht!

John Brakelé



De reis van de Lugworm

Sommige boeken, vooral die waar je zelf enthousiast over bent, leen je zó vaak uit dat ze op den duur niet meer terugkomen. Zo verging het mij met het verhaal van de Lugworm. Ik had het aan Wouter meegegeven. Toen ik na een halfjaar voorzichtig vroeg ofhij het leuk gevonden had - gewoon terugvragen klinkt zo bot - moest hij blozend opbiechten dat het in de trein was blijven liggen; tussen Utrecht en Geldermalsen. Jammer; het was een van de boeken die ik beslist mee zou nemen naar een 'onbewoond eiland'. Samen met 'Riddle of the sands' (een 'must' voor elke Drascombeschipper), 'Achter de mast' van Piet Bakker' (oud en wat gedateerd maar nog altijd verrukkelijk leesvoer), en 'Eiland in de oceaan' van Hammond Innes. ( met een massa zilte stormwind en een verrassende ontknoping) Helaas, de Lugworm dus niet. Zelfs bij de Slegte konden ze me er niet aan helpen. Als iemand het boek nog op zolder heeft liggen, en het kwijt wil - wat ik me nauwelijks voor kan stellen - houd ik me aanbevolen.

Voor wie het boek niet kent: de schrijver (Ken Duxbury) ziet zijn werk en het stoffige kantoor ineens niet meer zitten. Hij neemt een sabbatical verlof en zeilt, samen met zijn vrouw in een Drascombe lugger van Griekenland naar Engeland. Ze doen dat uiteraard voor hun plezier; hij in elk geval. Van haar ben ik niet helemaal zeker. Het zou ook kunnen zijn dat ze gedacht heeft: " Als hij zo nodig verdrinken wil, dan maar samen". Wel een flinke vrouw! Ik ken er genoeg die zouden roepen: "Je krijgt mijn schoen nog niet mee!". Eerlijkheidshalve moet ik bekennen er zelf ook makkelijker over te lézen dan er aan mee te doen.

Rode oortjeslectuur dus. Het boek beschrijft wat er allemaal gebeuren kan ( en dus ook gebeurt!) als je met een open scheepje de Middellandse zee op gaat; en langs Italië en de Franse kust naar het noorden zeilt. Het is geen machoverhaal geworden. Er wordt openhartig verteld over penibele situaties en zorgvolle ogenblikken. Het grootste venijn zit in de staart: De oversteek naar Engeland tussen een paar flinke novemberstormen door. Door allerlei oorzaken is het later in het zeilseizoen geworden dan de bedoeling was. Maar ze halen het (allicht; anders was het boek nooit verschenen). Ze krijgen een grootse ontvangst en hebben een heleboel om op terug te zien; en er (meeslepend) over te vertellen.....
Wat ik me alleen afvraag: is hij daarna weer domweg achter dat bureau gaan zitten?

Tussen haakjes, voor wie 'De reis van de lugworm' óver heeft: ons telefoonnummer is: 0546 869048. Je kunt nooit weten.

Jon Brakelé


Cool

Van tijd tot tijd komt tante Zus op bezoek. Ze loopt, nog altijd kittig, naar de negentig en is nooit getrouwd, maar beslist geen ouwe taart. Hoewel niet altijd door het leven verwend, heeft ze een ontwapende humor. Op zichzelf is een bezoek van haar dan ook geen bezoeking.
Maar dit keer zou het midden in de vakantie vallen die we - uiteraard - op het water doorbrachten. En dat zag ik niet helemaal zitten. Of eigenlijk: helemáál niet. Tante Zus aan boord deed te veel denken aan: 'je tante op een houtvlot'. Maar het was volop zomer en stralend weer. Zonde om alleen voor háár naar de stad te gaan.

Nadat ik tantetje had opgehaald - autorijden heeft ze nooit geleerd, en met de trein komt ze meestal op een verkeerde bestemming aan, wat écht niet de schuld van de spoorwegen is - installeerden we haar op een schaduwrijk plekje van de haven en voerden haar koffie met koek terwijl we bijgepraat werden over geboortes, sterfgevallen, verbroken relaties en meer van die schokkende feiten.

Toen de familieberichten afgewerkt waren en het gesprek begon te stokken riep ik met gespeelde geestdrift: "Wat denkt u van een eindje varen tante? Op het meer is het lang zo warm niet als hier". Tante Zus keek alsof ik een oneerbaar voorstel had gedaan - wat misschien ook wel zo was. Maar tot mijn verbazing stemde ze toe, aarzelend, en op voorwaarde dat we niet 'zo eng scheef' zouden gaan. Het moest dus motorvaren worden. Maar nou ja, als we eenmaal op het water waren kon je altijd nog zien....

Niet zonder moeite werd tante aan boord gehesen. Eenmaal gezeten - met haar rug stijf tegen de kajuit gedrukt - hield ze zich met zoveel kracht aan het potdeksel vast dat haar knokkels wit werden. Het was duidelijk dat ze nu al spijt had. Maar ze zat in het schuitje, en moest mee, want ik was zo verstandig geweest los te gooien voor ze zich bedenken zou.
Buiten de haven bleek de wind inderdaad lekker fris te zijn, maar wel aan de pittige kant. Dicht langs de hoge kant sturend, om geschommel zo veel mogelijk te vermijden, wees ik onze passagier bijzondere punten in het landschap aan, alsof ik gids was op een rondvaartboot. Véél natuurschoon viel er helaas niet te bewonderen, en het interesseerde haar zo te zien geen bal.

Maar dat veranderde op slag toen die surfer in beeld kwam. Afgezien van een haarlint had hij alle knellende kleding afgelegd. Bloot als een pasgeboren kind - maar iets groter - raasde hij plotseling voorbij.
Tante keek het verschijnsel met open mond na. Weliswaar valt er ook op de beeldbuis genoeg blotigheid - en alle stadia van opwinding die ermee gepaard gaan- te genieten, maar ik verdenk haar ervan dat ze die, in haar maagdelijke onschuld, meteen wegzapt. Bovendien was deze Chippendale 'live', welgeschapen, en bijna onder handbereik.
"Mag dat zomaar?" hijgde tante. nadat ze op adem was gekomen. We verzekerden haar dat er weinig kwaad in school. Het gevaar iets af te knellen op een surfplank is klein.
De oorzaak van alle opwinding was intussen door de wind gegaan. Ver achterover hangend kwam hij - nu met zijn voorkant - rakelings langs ons heen. De ruit in het zeiltje omlijstte zijn meest markante lichaamsdelen op treffende wijze.
Tante Zus liet het potdeksel los en sloeg een hand voor haar mond. "Dat ik dit nog mee mag maken", riep ze. "Op mijn leefiijd!..."
De tocht verliep Verder zonder problemen. Maar verkoeling heeft hij niet gebracht.

Jon Brakelé

 


Twee masten

Soms lijkt het wel dat de brugbediening bij voorkeur veranderd wordt als de nieuwe wateralmanak net uit is. Op zichzelf valt daar weinig tegen in te brengen. Het zal niet anders kunnen. Bovendien wordt het bestaan van amateurschippers er avontuurlijker door. Dat willen we toch graag! Maar vervelend is het wel, als je geracet hebt om op tijd te zijn en de dienstdoende breggewipper zet pal voor je neus het licht op dubbelrood. Nu is haasten nooit verstandig, zeker op het water. Morgen komt er weer een dag. Wie een scheepse pet opzet moet zich niet als een opgefokte stedeling gedragen.

Een bijkomend probleem is echter dat ik voor de wind aan ben komen stormen terwijl de ijzeren hond juist op dit moment een snipperdag neemt (tankje leeg-stom; stom; stom!) Als gevolg van een en ander moet er een heleboel tegelijk gebeuren, zodat ik het dek op en neer huppel als het paard van sinterklaas. Dat de schade beperkt blijft tot één kras valt al met al niet tegen.


Nadat ik heb afgemeerd, en stoom afblaas boven een blikje prik, zie ik een dame op de wal die mijn one man show blijkbaar gevolgd heeft. Ze staat naast haar fiets, met het hoofd een beetje scheef en een gezicht van: "Zou die ouwe man dat echt allemaal voor zijn plezier doen? "Een lieverdje, dat is duidelijk. Als onze blikken elkaar kruisen zegt ze: "Zeker wel moeilijk hé, twee masten?"

Ik maak het onverschillige gebaar dat op zo'n moment van je verwacht wordt, al doet haar bewondering eigenlijk wel goed. Pas later, als ik de brug al lang gepasseerd ben (toch maar naar die brugwachter gezwaaid - je kunt niet weten) begint langzaam het besef door te dringen dat sommige mensen een tweede mast wat véél vinden, net zo overdreven als bijvoorbeeld een dubbele voordeur, een tweede bolide of een derde Jack Russell; kortom, dat hij een statussymbool is.

Daar is uiteraard een helebóél tegen in te brengen. Maar wat zou het eigenlijk? Statussymbolen zijn van alle tijden. Ze suggereren exclusiviteit, welstand en betrouwbaarheid, en geven zwakke naturen een steuntje in de rug. De oude theeklippers werden zeewaardiger gevonden naarmate ze meer masten voerden. En oceaanstomers kregen vroeger een schoorsteen extra. Van één schip - de Normandie geloof ik - werd de achterste pijp als bioscoopzaal gebruikt omdat hij eigenlijk overbodig was.

Toch verdween menige vijfmaster met man en muis, en was de Titanic, ondanks vier pijpen, slecht tegen ijs bestand. Waaruit alweer blijkt dat statussymbolen lang niet altijd bescherming geven.

Wat de tuigage van onze eigen Drascombe betref; hier hoeft natuurlijk niet uitgelegd te worden hoe functioneel hij is. Ik denk niet dat ik een ander tuig even snel omlaag had kunnen krijgen. Daarmee was ik onder de brug dóór gezeild, of in elk geval tot halverwege. Dan had die dame nog véél meer kunnen meemaken!.
"Nee mevrouw , twee masten is niet moeilijk; integendeel".

Dat ze 'apart' staan is trouwens meegenomen.
Dus toch een statussymbool?

Jon Brakelé