Een boek voor onder de kerstboom bij de kachel
Maurice Griffiths: Bij het begin van het tij


 Klik voor vergroting

Het vervelende van ouder worden is dat veel dingen minder makkelijk gaan. Het aardige is echter dat een heleboel niet meer hóéft: uitvaren bij regen en wind; opstaan bij nacht en ontij; dingen die pas echt plezierig worden als je er na afloop achteloos over vertellen kunt. Sinds we een huisje aan het water bewonen, heb ik bovendien ontdekt dat zeilen ook leuk kan zijn om er alleen maar naar te kijken. Ongemerkt (nou ja...) ben ik een mooiweervaarder geworden die, als er bij striemende regenvlagen iemand in zijn Helly Hansen voorbij vaart, mompelt: ‘Het zal wel weer een Duitser zijn.’ Meestal klopt dat. Als wij, ‘Ferme jongens, Hollands trots’ het af laten weten kun je altijd wel een verdwaalde oosterbuur op het water vinden. Van mij mag dat. Ieder mens heeft recht op zijn eigen gekte. ‘Hij doet die dingen voor zijn plezier,’ schreef Multatuli al in Woutertje Pieterse – een beetje gedateerd maar nog altijd leuk.

Sommige Britten weten trouwens ook heel goed hoe ze het zichzelf moeilijk kunnen maken. Behalve een nauwelijks te begrijpen voorkeur voor rokende open haarden, linksomme verkeersrotondes en onverteerbare plumpuddingen houden ze van schepen die weliswaar uitstekend zeilen maar waarin niet over ongerief gezeurd moet worden. In een antiquariaat vond ik laatst een boekje van Maurice Griffiths getiteld: Bij het begin van het tij. Griffith beschrijft hoe hij de prielen en riviermonden van de Engelse oostkust verkende. Afgezien van het feit dat de meeste van zijn scheepjes nèt niet van ouderdom uit elkaar vielen, vond één en ander bij voorkeur plaats als er een gale, sneeuwstorm of ander ongerief op komst was.

Uit dit zeer aan te raden boekje een paar citaten:
‘Het was te koud om lang aan de helmstok te staan en we stuurden om beurt, terwijl de ander in de warm gestookte kajuit kon ontdooien en een kop soep voor de roerganger maakte. Het werd al vroeg donker en de sneeuwbuien werden steeds dichter en bedekten het dek onder een dikke laag sneeuw, terwijl de sneeuwvlokken met een dof geluid op het grootzeil neervielen’.

En dan deze passage:
“Aan loef kwam een wit gordijn op ons af, dat vanaf de zee tot de leigrijze hemel reikte. ‘Een sneeuwstorm’, zei Greg. ‘Neem een peiling op de West Mouse, voordat ie niet meer te zien is’. Bijna nog voordat ik tijd had gehad het handpeilkompas te pakken en de peiling te noteren, was het baken uit hzicht verdwenen. Het werd beestachtig koud in de sneeuwstorm en omringd door donkere boosaardige golven was ons wereldje ineens heel klein geworden. ‘Dit moest ons natuurlijk in het smalste gedeelte van de Swin overkomen’, gromde de schipper. ‘We kunnen beter niet te ver doorvaren of we lopen vast’. Het waaide nu echt hard en het was bijna onmogelijk in de richting van de wind te kijken zonder verblind te worden. De kou drong dwars door onze kleren heen en onze handen raakten ondanks de handschoenen bijna bevroren, zodat we om de beurt korte tijd aan de helmstok stonden. “Ik hoop’, zei de schipper, terwijl hij met een somber gezicht rondtuurde, ‘dat er geen stoomschepen door de Swin varen…’”


 Klik voor vergroting

Ten slotte dit:
“…ik bleef niet lang in de ijzige kou rondhangen, maar ging snel de warme kajuit binnen. Uit het voorschip hoorde ik boven het geloei van de primus uit het aangename geknetter van vlees dat geroosterd werd. ‘Er gaat niets boven een knusse kajuit als het buiten koud is, vind je niet?’ David stak zijn blije gezicht om een hoekje van het vooronder, waarop het intense geluk van een trotse eigenaar af te lezen viel. ‘Hoeveel worstjes lust je?’ ”

Zo gaat het door. Behalve spaarzame momenten van gelukzaligheid beschrijft Griffith een aantal near accidents. Nuttig voor frostbiters, maar ook heerlijk leesvoer voor wie onder de kerstboom gezeten een warme oliebol of een hete Glühwein tot zich neemt en daarbij droomt over een witte kerst. Nou ja, ieder mens heeft recht op zijn eigen gekte…

Een verwoed zeilfanaat uit Slagharen
Zou het liefst heel de winter door varen.
Sprak zijn dierb’re Mathilde,
Die bij voorbaat verkilde:
‘Man, je zit voor je’t weet op de blaren!’

Jon Brakelé