Met Dwaalgast op “mislukte” ijzerbedevaart

Het is 28 juli, vandaag precies 100 jaar geleden begon de Eerste Wereldoorlog. In dat kader heb ik besloten te pogen een tocht over de IJzer te maken met als einddoel Ieper. Hoewel pensionado kan ik me slechts voor een dag of tien vrijmaken.
 Klik voor vergroting Ik ga solo maar heb wel ons kooikerhondje bij me. Ook dat is een complicerende factor omdat zo’n beest toch zo nu en dan z`n poot ergens op moet lichten of voor het “grote werk” de kant op moet. Zonder gewetenswroeging kan ik dat proces tot een uur of vijf rekken maar daarna gaat het wel knagen.

Mijn strijdplan is aldus: Vanaf de Kralingse Plas via de Nieuwe- en Oude Maas over het Spui en Haringvliet naar Stellendam. Buitenom via Roompot naar Vlissingen en van daaruit naar Zeebrugge of Oostende. Daarna via het kanaal Plassendaele-Oostende de IJzer op en dan naar Diksmuide (de IJzertoren en dodengang) en in Ieper Flandersfieldmuseum. De natuur blijkt echter sterker dan de leer omdat 28 juli in dubbel opzicht historisch wordt! Niet alleen vanwege de Eerste Wereldoorlog maar ook vanwege een absoluut regenrecord. Er valt die dag op sommige plekken 150 mm regen zodat in Alphen a/d Rijn de bevolking met zandzakken moet slepen om een dijk te dichten. Vanaf het thuisfront krijg ik bezorgde telefoontjes. Hoewel ik die doorgaans als overbezorgdheid kwalificeer, lijkt het mij nu ook ernst. De eerste concessie aan het “strijdplan” is een feit!

Eenmaal op het Haringvliet ga ik, in plaats van stuurboord uit naar Stellendam, bakboord uit naar de Volkeraksluis. Daar overnacht ik achter de remming.

De volgende dag met een lopend windje naar het Schelde-Rijnkanaal en op de motor naar Tholen, even de hond er uit en dan via Bergschediepsluis de Oosterschelde op. Het waait inmiddels stevig. Op fok en druil aan de wind naar de Zandkreeksluis. We krijgen het behoorlijk voor onze kiezen maar de beloning is een rustig nachtje op het Veerse Meer. De hond kan daar heerlijk zwemmen en mijn geweten kan er weer een poosje tegen.

De volgende ochtend vroeg vertrokken om gebruik te maken van de “groene golf” in het Kanaal van Walcheren en daarna van de ebstroom op de Westerschelde. Het loopt weer anders! De motortemperatuur loopt op. Het wierfiltertje van het koelwater schoonmaken is minder dan een halfuur oponthoud maar voldoende om de sluis bij Veere net voor m`n neus dicht te zien gaan.


 Klik voor vergroting

Daarna is het tobben en zijn we slachtoffer van de wet van Murphy. Het is tegen het eind van de middag als we op de Westerschelde zijn. Het tij is verlopen en de De Ruyterhaven blijkt vol. Breskens is misschien ook vol en dan blijft er niets anders over dan terug te schutten. Bij het vastmaken in de sluiskolk blijft het landvastje achter mijn “electrische stuurtouwje” hangen en gaat het ding overboord. Hij blijft gelukkig aan het stroomtouwje hangen en blijkt voldoende waterdicht om verder weer als trouwe metgezel te functioneren.

De volgende ochtend stralend weer. Ik heb de keus tussen zes uur wachten op de ebstroom en met tegenwind naar Zeebrugge of met de vloedstroom mee(en een mooi ZW-windje) naar Terneuzen te zeilen. Gedachtig de spreuk “als het niet kan zoals het moet, moet het maar zoals ik het kan” kies ik voor het laatste in het besef dat Ieper daardoor niet meer gehaald zal worden. Het wordt een heerlijke zonovergoten tocht. Doorgeschut naar het oersaaie Kanaal Terneuzen-Gent. Met de knop op dom en de blik op oneindig onderga ik 32 km industrie.

In de avond maak ik vast bij de Tolsluis in Gent om de volgende ochtend het benodigde vaarvignet voor Vlaanderen aan te schaffen. België zou België niet zijn als die dingen gewoon nog voorradig zouden zijn. De aardige sluiswachter verwijst naar z`n baas die die dingen maar niet af wil sturen en geeft mij met een knipoog te verstaan gewoon door te varen. Door Gent varen is ronduit fantastisch. Dwars door het oude stadscentrum met prachtige oude gebouwen maar ook met gedurfde moderne architectuur en tientallen tot prachtige woonschepen omgebouwde spitsen.

Daarna, via een betrekkelijk saaie ringvaart kom je op de Oude Leie. Superlatieven schieten daarbij te kort. Een groene oase! Meanderend tussen de bomen met afwisselend landgoederen in Victoriaanse stijl en daar tegenover moderne architectonische hoogstandjes voor de nieuwe rijken. Wat ze met elkaar delen zijn gemillimeterde gazons ter grootte van een half voetbalveld. Daarop zie je alleen tuinlieden, een peperduur zitje aan het water (waar zo te zien nooit iemand gebruik van maakt) en prachtige beelden, sculpturen en andere parafernalia.

Halfweg Gent/Deinze ligt Astene. Het omvat een in onbruik geraakt sluisje, een met de hand bediend stalen bruggetje, een oud Sashuis en bovenal een mooi uitnodigend steigertje. Volgens de praatgrage beheerder/herbergier van het Sashuis is dit het Barbizon van Vlaanderen waar veel beroemde schilders hebben gewoond en gewerkt. Mijn bijdrage is een snel schetsje van al dit moois.


 Klik voor vergroting

De volgende morgen vaar ik naar Brugge en de dag er op via het Boudewijnkanaal naar Zeebrugge. In de almanak lees ik dat de sluis naar het Boudewijnkanaal vandaag (zondag) niet wordt bediend. Ik doe daar navraag naar bij de Dammesluis in Brugge. De aardige jonge vent die de sluis bedient, beaamt de zondagsluiting maar heeft als zeeverkenner met een Drascombe gevaren en vaart nu zo nu en dan nog met een Longboat. Eigener beweging, na een gezellige kout komt hij voor mij de sluis bedienen! Aan het eind van het kanaal ligt Zeebrugge.


 Klik voor vergroting

Via de kolossale zeeluis, na een uur wachten langszij een sleepboot, samen met een giga-mastodont doorgeschut en eindelijk weer op zout water. De in- en uitvaart van de buitenhaven wordt met een ingewikkelde lichtencombinatie geregeld.

Op de kop van de kilometerslange oostpier maken mensen met een spiksplinternieuwe 40-voeter driftige armgebaren naar mij. In de veronderstelling dat ik iets fout doe, vaar ik naar ze toe en hoor dan dat hun motor is uitgevallen. Ik schat de golven een meter hoog en ze zijn nog zo’n meter of 20 van de gigantische betonblokken verwijderd. Als ik ze wil slepen loop ook ik het risico op de blokken te worden gezet. Er is echter geen keus! Ze gooien een dikke zwarte kunststof lijn over die ik door m`n handen slippend nog net op de kikker kan krijgen. Er breekt wat en het kraakt maar het houdt het. Met m`n dappere 8pk Sabb-dieseltje weet ik ze centimeter voor centimeter naar zee te krijgen.

Eenmaal buiten komt al snel een berger langszij en kan mijn lijn los. Als het adrenalineniveau bij mij is gedaald voel ik de stekende pijn in mijn hand. Drie grote brandblaren sieren vingers en handpalm. Dankzij het lage vrijboord is permanent koelen geen probleem maar het mooie bezeilde zeetochtje naar Vlissingen is er aanmerkelijk minder door.

De rest van de tocht huiswaarts is zonnig en mooi bezeild maar onvoldoende spannend om verslag van te doen. Eenmaal weer thuis, met ruim 300 mijl op de log, lijkt het alsof ik weken in plaats van negen dagen ben weg geweest. Het vage plan om de Drifter te verkopen en naar een Scaffie om te zien gaat voorlopig in heroverweging.

Leo van der Wal a/b van de Dwaalgast