Drascombe-kuikens door Victor Vandersmissen

. Klik voor vergroting
. Klik voor vergroting
. Klik voor vergroting

In 1954 gleed Ben Pester tijdens zijn zeilreis van Plymouth naar Nieuw-Zeeland, op weg naar Tahiti, al chillend van het voordek van zijn prachtige Tern II terwijl zijn maat beneden lag te pitten. Hij was bang dat hij verloren was, maar voelde toen het vinnetje van zijn Walkerlog langszoeven en kon het nog net op tijd grijpen. Een uur hing hij er aan tot zijn wacht was afgelopen en zijn maat hem binnen boord kon trekken. In '59 overkwam David Shaw aan boord bij Bill Tilman hetzelfde, op weg naar het Zuiden voor een potje bergbeklimmen. Maar waarschijnlijk was hij een beetje dikker, want bij hem brak het lijntje. De kans dat het log je leven zou redden was kennelijk niet denkbeeldig. Het is een van de weinige nadelen van het met gps varen, dat die reserve ontbreekt. Het varen met bi­jboot biedt op dat gebied een evenredig groot voordeel.

Afgelopen september las ik op de website van de NKDE de oproep van Maarten Adriaans aan mensen die ervaring hadden met een bijboot achter de Drascombe (Coaster i.c.) om hun ideeën te delen. Ik was benieuwd naar de reacties. Antoine had een leuk stuk over een Mirror als bijboot achter de Gig. Maar na het lezen van de Berichten aan Drascombevarende nummer 143 van december 2012 waarin een Compass round tail ter sprake kwam kon ik me niet meer concentreren op de studie.

Toen ik nog klein was sleepte Pride een Piraatje. Dat was een mooi schip voor op de Loosdrechtse plassen, maar als familiebijboot was ze eigenlijk niet zo geschikt. Door de vlakke bodem en het ontberen van een hak, de smalle punt en open zwaardkast sleepte ze slecht. Bovendien konden we er nauwelijks met ons allen in doordat ze door gebrek aan overhang weinig reserve-drijfvermogen had. Met een sleeproer en -zwaard (waar Antoine ook al over schreef) bleef ze redelijk op koers en droog, zeker met het kuiptentje dat mijn ouders hadden laten maken. Het grootste probleem was om te voorkomen dat ze ging duiken bij veel vaart. Wat hielp was door het sleepoog ter hoogte van de waterlijn te zetten, maar ze bleef te mager in de neus. Toen ze door gebrek aan onderhoud begon te rotten en als zandbak eindigde, kwam de oude jol van oma in beeld - mijn moeder en haar broers hadden daar nog in leren zeilen.

De jol was perfect. Ze had trouwens ook veel weg van het oude Pridekuiken, dat Hans in '79 was verloren onderweg uit Engeland, toen het sleepoog door de schokken op de lijn en gebrek aan een contraplaatje, was losgebroken uit het polyester. Die boot had ongeveer dezelfde eigenschappen: een bolle vorm, een 'hak' voor een ver naar achteren gelegen lateraalpunt (het effect van een in de midscheeps vastgezet roer) en een redelijk maar niet te hoog vrijboord. Het polyester zorgt voor een lichte maar taaie constructie, die gemakkelijk te roeien en te tillen is. Ook alleen, op de rug, als een soort schildpaddenschild. Als de rug dat nog toelaat tenminste, na een vakantie onder het lage kajuitdak van een Drascombe. Er valt prima door koters in te zeilen en met een paar stevige messing dollen - niet die van plastic - ook goed mee te roeien. Roeiend houdt de jol zonder ballast Pride bijna bij.

Het is wat gepiel om de juiste lengte van de sleeplijn te vinden. Twee golflengtes zal meestal wel voldoende zijn, maar meer is altijd beter, leer je als Leidse student. Als je een dikke lijn gebruikt zal het gewicht van de lijn zelf de meeste energie uit het rukken van de jol halen, waardoor de klamp waarop de sleeplijn is belegd minder schokken krijgt. Het scheelt achter de spiegel een contraptie, die snel binnenhalen dwarszit. Althans, dat líjkt me want ik heb er geen ervaring mee. Een dikke lange lijn biedt ook het eerdergenoemde voordeel: mocht je overboord vallen dan kun je je daaraan vastgrijpen. De literatuur leert dat daar veel waarde aan moet worden gehecht.

Het logboek beschrijft een vergelijkbaar spannend moment afgelopen april, toen ik vanuit Rakker even wilde zien hoe mooi Pride zeilde vanaf een afstandje. Ik haalde de jol langszij, stapte over en liet me afzakken. Dat ging wel lekker, te lekker eigenlijk op het moment dat ik weer terug naar Pride wilde. De sleeplijn kon ik niet te pakken krijgen zonder mijn gewicht naar voren in de jol te verplaatsen, maar dan rolde zij onmiddellijk voorover met de neus onder water - snel terug naar achteren maar. Ik zag Pride al in gedachten op een ton varen zonder iets te kunnen doen. Defaitistisch dacht ik er nog aan de jol om te laten slaan zodat ze zou zinken en Pride als een soort zeeanker zou afremmen - de Tao van Poeh lag op Pride dus daarmee kon ik mezelf niet geruststellen. Gelukkig kwam het zo ver net niet, want het duurde maar twintig minuten tot het even wat minder woei. Ik greep de lijn en trok ons dwars op Pride's koers terug naar ons moederschip. Ik klom aan boord. Rakelings passeerden we een lichtboei.

. Klik voor vergroting
. Klik voor vergroting
. Klik voor vergroting